ISSN 0304-0003

 

 

MARION PETERS

NEPOTISME, PATRONAGE EN BOEKOPDRACHTEN BIJ NICOLAES WITSEN (1641-1717), BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM.

LIAS 25 (1998) 1

pp. 83-134

 

Nepotisme en patronage waren de twee kernbegrippen waar Nicolaes Witsens politieke leven om draaide. Naast vele andere officiële bedieningen was hij van 1682 tot 1706 dertien maal burgemeester van Amsterdam. Deze hoge positie stelde hem in staat een brede kring van bloedverwanten, vrienden en relaties van uiteenlopende ambten en officiën te voorzien. De strijd om de regeringsmacht was destijds dan ook vooral een strijd om de ambten. Met dit middel in handen kon een regent zich in het stadhuis en bij de gewone burgerij een stevige aanhang vormen.

Net als in de Oudheid heette een regent die een relatie aan een betrekking hielp, hem beschermde of vooruit hielp, "patroon". De begunstigde was zijn cliënt. Samen met de bloedverwanten en vrienden vormden cliënten de partij van de regent, enigszins te vergelijken met het Engelse "clan".

Ditzelfde protectiestelsel komt men ook tegen in de Republiek der Letteren. De gewoonte om een boek van een opdracht te voorzien is daar de meest uitgesproken manifestatie van. De schrijver van de opdracht (de auteur, uitgever, bewerker of vertaler) richtte die doorgaans tot iemand aan wie hij zich verplicht voelde en bij wie hij baat verwachtte. Wie weten wil wat particulier patronage voor het boekwezen in de Lage Landen inhield, zal niet om dit verschijnsel van boekdedicaties heen kunnen.

Aan Nicolaes Witsen blijken heel wat boeken opgedragen. In totaal werden 46 personen getraceerd die zich met dit middel tot hem richtten. Mogen we daaruit concluderen dat Witsen speciaal aandacht voor de letteren had? Of was het veeleer zijn krediet vanwege het burgemeesterschap wat zijn patronage zo gewild maakte? Om hierop antwoord te krijgen, concentreerde het onderzoek naar Witsens beschermheerschap zich op de volgende hoofdvragen: Hoe kon een magistraat invloed uitoefenen op iemands maatschappelijke positie? Wat houdt een boekdedicatie in? Hoe zagen de schrijvers van de boekdedicaties Nicolaes Witsen als mecenas en als patroon? En: Wat was hun relatie met hem?

Parallel hieraan staat de geschiedenis van Witsens eigen loopbaan en publicaties. Wie waren zíjn begunstigers die hem op de maatschappelijke ladder voorthielpen, en wie bedacht hij zelf

[84]

met een dedicatie: als student in examenstukken bij de afronding van zijn opleiding, dan wel als voornaam auteur van doorwrochte scheepsbouwkundige en geografische werken?

In de Bijlage aan het eind van dit artikel is een alfabetisch overzicht te vinden van de opdrachtschrijvers, hun status, alsmede de boektitels waar de dedicaties in verschenen.

I. PATRONAGE.

Witsens politieke carrière.

Terugblikkend op zijn leven, vertelt Nicolaes Witsen in een aan zijn secretaris gedicteerde levensschets hoe precair de dood van zijn vader in 1669 wel voor hem was geweest. Hij was toen 28 jaar. Zijn vader had de invloedrijkste posities bekleed - Cornelis Witsen was onder meer vier maal burgemeester van Amsterdam, hoofdschout en bewindhebber van de West-Indische Compagnie -, maar toen hij stierf zat hij zelf nog zonder ambten, "terwijl [hij] niemand van zijn bloed hadde, van wien hij zulks kon verwagten, waardoor [het] onseker was, welke levenswijse te verkiesen". De vriendschap met de machtige burgemeester Gillis Valckenier (1623-1680) had hem uit de impasse geholpen. "Uit eyge beweging" had Valckenier ervoor gezorgd dat "Claes" tot kerkmeester van de Zuiderkerk werd benoemd; een geste, waardoor Witsen zich voor altijd aan deze regent verplicht bleef voelen.

Evenwel, het accepteren van deze officie was niet zonder gevolgen geweest. Valckenier behoorde tot een andere factie dan de Witsens, die Andries de Graeff aan het hoofd had. Witsen vertelt dan hoe De Graeff hem van zijn nieuwe patroon had willen "aftrekken" door hem een plaats als commissaris aan te bieden. Maar tot ieders verontwaardiging wees hij dit aanbod van de hand, "schoon de andere zijne bloedverwanten waaren". Het vervolg van de affaire tekende Hans Bontemantel (1613-1688) aan in zijn "chronique scandaleuse", in 1897 uitgegeven onder de titel De Regeeringe van Amsterdam (1653-1672). Want De Graeff had Witsen daarna gedreigd, dat als hij de partij niet wilde volgen, hij nooit meer "geavanceert" zou worden. Valckenier was dit ter ore gekomen en had Witsen dit dreigement in De Graeffs aanwezigheid laten bevestigen. Tussen Valckenier en De Graeff was er toen zo’n ruzie gevolgd, dat de laatste uit de stadsregering wenste te worden ontslagen. Wel tekende

[85]

Bontemantel nog in de marge van het verhaal aan, dat Witsen ondankbaar was om zich niet bij De Graeff aan te sluiten. Zijn vader had immers altijd veel "vriendschap" van het huis De Graeff genoten. Zijn zoon Lambert was door hen nog kapitein gemaakt - hoewel hij heel jong was en alleen "om welstands wil". En het was in het jaar 1667 vooral aan Andries de Graeff te danken geweest dat zijn vader burgemeester en schout geworden was.

Dat Witsen de betreffende officie uit handen van de tegenpartij aannam, werd dus beschouwd als een daad van ontrouw. Maar zijn loyaliteit aan Valckenier hoefde hij niet te betreuren. In 1670 hielp Valckenier hem in de vroedschap; na de wetsverzetting van 1672 lukte het hem ook om Nicolaes in de schepenbank krijgen. Vrijwel de gehele regering had toen op aandringen van stadhouder Willem III zijn ontslag gekregen. Waarmee ook het bewind van de De Graeffs de das was omgedaan - ten gunste van Valckenier, die nu de leiding van de stedelijke politiek, het "magnificat", had.

Het vervolg van Witsens loopbaan laat zich al evenzeer in het teken van familieconnecties, protectie en de bundeling van politieke macht binnen de groep van bloedverwanten en hun gunstelingen aflezen. Na Valckeniers dood in 1680 was het Witsens neef Johannes Hudde (1623-1704) die van 1681 tot 1704 als burgemeester het magnificat uitoefende. Zodra Witsen de vereiste leeftijd van veertig jaar bereikte, loodste deze hem dan ook de regering als burgemeester binnen. Dat het ook later grotendeels aan Hudde te danken was dat Witsen tot en met 1705 bijna om het jaar als burgemeester in de regering zat, lijkt aan weinig twijfel onderhevig. Immers, na de dood van Hudde lukte het hem niet meer om op het kussen terug te keren, al zijn inspanningen ten spijt. Op 6 februari 1717, een half jaar voor zijn dood, toen hij al 76 was, noteerde Witsen diep teleurgesteld als laatste opmerking in zijn Levensbericht, dat hij wederom was gepasseerd, ondanks alles wat hij voor zijn "bloedvrienden" had gedaan. Aan

[86]

zijn vriend, de geleerde Deventer burgemeester Gijsbert Cuper, schreef hij daarover al eerder: "het schijnt tegen mij een groote haet is, hoewel nimmer imant hebbe beledigt, maer allen die mij tegen sijn,vrintschap bewezen".

Vergeving van ambten.

Indertijd werd Amsterdam geregeerd door vier burgemeesters. Elke 1e februari van het nieuwe jaar wisselden drie van hen van plaats om - binnen hun faktie - de beurt aan een ander te geven. Eén burgemeester bleef aan voor de continuïteit. Hun aanstelling geschiedde door coöptatie, anders gezegd, zij werden benoemd door het aftredende bestuur.

Wat het partijspel vooral zo grimmig maakte, was het privilege van burgemeesters om over tal van ambten en officiën te beschikken. Welke posten dit waren en hoe deze verdeeld dienden te worden, stond nauwkeurig genoteerd. Het ging hierbij om maar liefst 3200 aanstellingen. Slechts een heel klein deel daarvan kwam aan de vroedschap (de benoeming van professoren van het Athenaeum bijvoorbeeld) en het college van schepenen toe. De verdeling geschiedde bij toerbeurt, wat wil zeggen, dat gedurende het kwart jaar dat een burgemeester voorzat, hij kon beschikken over de posten die op dat moment vacant stonden. Daarnaast bezat hij nog tal van andere ambten en officiën; over de daaronder vallende posten had hij eveneens zeggenschap. De burgervaders drukten aldus een belangrijk stempel op het dagelijks leven.

[87]

De eersten die daarvan profiteerden waren hun familieleden en vrienden. In de verdeling van baantjes vormden zij een belangrijke partij. Tot ver in hun omtrek kon men daarom - tegen vergoeding uiteraard - bemiddelaars in verzoeken om voorspraak vinden.

Alreeds als jongeling, als zoon van een hoogmogende van de invloedrijkste partij, was Nicolaes Witsen een dankbaar doelwit als tussenpersoon. Dit kunnen we afleiden uit een enkele bewaarde brief, en een viertal boekdedicaties - waarover later. Op 14 maart 1663 - toen hij nog maar net in Leiden studeerde - schreef een zekere Johannes Seidelius een brief aan hem, geadresseerd (vertaald uit het Latijn) "aan de zeer vermaarde erudiete en begaafde heer Nicolaes Witsen, filosoof en vooral zeer knap beoefenaar van de wiskunde, mijn zeer eerbiedwaardige beschermer". Seidelius schreef hierin, dat hij hem liever persoonlijk had gesproken, maar dat hij hem steeds niet thuis trof. Derhalve bedankte hij hem alvast maar via deze weg - "uit de grond van mijn hart" - voor zijn bemiddeling bij een aanstelling in de Noorderkerk. Witsen moet er flink achterheen hebben gezeten, want hij had, aldus Seidelius, niet alleen bij zijn vertrek naar Leiden, maar ook nog daarna zijn ouders aanhoudend met missiven bestookt.

De volgende passage is exemplarisch voor wat patronage bij een studie of auteurschap kon inhouden: Seidelius verklaart dat hij zijn hele leven "tot alle soorten van schuldige danckbaerheijt" jegens Witsen verbonden zal zijn en blijven,

als zijnde nu meer door UEdele (naest God en sijn hooch-waerde Ouders) niet alleen van het moeijlijcke en ramp-saelige schoolhouden verlost, maer oock daertegen in soo gunstigen dienst geraeckt, waerin ick mijn studien nae wensch hervatten, ende de gave die in mij is, nae de leere Pauli, in stilte en gerustigheyt zal opwecken konnen. Doch omdat ick hierover mijn danckbaer gemoed binnen weynig weecken noch in publico aen UEdele meene te verklaeren, soo sal ick 't voor dit mael hierbij laeten berusten: belovende UEdele het kussen wel op te schicken, als mij UEdele in mijn pontificael [= pronkgewaad] in de Noorderkerk bij gelegentheijt zal believen t’aenschouwen.

Het verwerven en onderhouden van de juiste relaties was, zo blijkt ook uit dit voorbeeld, van existentieel belang. Om iets ter verbetering van de eigen positie voor elkaar te krijgen, was een beroep op het netwerk van verwanten, vrienden en kennissen veelal de enige methode.

Van Witsen zelf in zijn rol als pleitbezorger bestaat ook een brief, gericht aan burgemeester Gillis Valckenier, zijn eigen patroon en begunstiger. Dit op verzoek van Govert van der Haeck, een "speciale vrint". De laatste had om zijn tussenkomst gevraagd voor een zekere David

[88]

Hartman - een Duits koopman in Moskou, die handel op Amsterdam dreef - om hem het Amsterdamse "burgerrecht" te geven. Ook voor deze vriend deed Witsen zijn best om dit gedaan te krijgen. "Toonder deses sal U Edele hierover breder spreken", verklaarde hij tot slot.

Onder Witsens papieren uit de tijd van zijn burgemeesterschap bevinden zich bovendien twee direct aan hem gerichte verzoekschriften, misschien omdat het de auteur aan connecties of geld voor bemiddeling ontbrak. Alleen al vanwege de curiositeit verdienen zij hier vermelding. De ene brief (van 8 mei 1688) behelst een samenvatting van een plan voor de opslag van zoet water. In de andere brief (van 29 april 1690) doet dezelfde schrijver nog eens het verzoek zijn diensten aan te mogen bieden, nu ook "als Architeckt ofte schilder etc".

Beide brieven zijn van de aan lager wal geraakte, eertijds succesvolle katholieke schilder Jan de Bray (ca.1627-1697) uit Haarlem. In 1689, dus in de periode tussen het schrijven van beide brieven in, was hij failliet verklaard en dientengevolge waren al zijn schilderijen verkocht. Vlak daarvoor had hij blijkens zijn adressering kennelijk zijn heil in Amsterdam gezocht. Zijn woonstede daar was op de Lindengracht "in het schip de walvis", welke hij, aldus zijn laatste brief, nog zes jaar had "geprolongeerd". Van De Bray is bekend dat het lot hem wel erg slecht gezind was: vrijwel zijn hele familie kwam om tijdens de pestepidemie van 1664, terwijl zijn drie echtgenotes ook allemaal binnen een paar jaar het leven lieten.

Hoe De Bray zijn verzoek inkleedde, laat de tweede brief zien. Ook deze is exemplarisch, dit keer wat zijn benadering betreft. Met veel omhaal feliciteerde De Bray Witsen met zijn nieuwe verkiezing tot burgemeester, waarbij hij nog eens nederig naar zijn tractaatje over de zoetwateropslag verwees. Omdat Witsen het tractaatje in zijn vorige burgemeesterschap had geaccepteerd, hoopte hij bij diens nieuwe benoeming nog eens een beroep om emplooi bij hem

[89]

te kunnen doen "in de hoope van deese Heerlijcke stadt daer door te doen goeden dienst". Hij verklaarde evenwel dat hij ook andere diensten kon verrichten, als architekt of schilder bijvoorbeeld. Dat zou geen problemen opleveren, want de komende zes jaar zou hij in Amsterdam blijven wonen. "Sal onder reverentie in korten daegen nogh mael de vryheyt gebruyken om onssen dienst Parsoonelijck aen te komen bieden", besluit hij dan. "Dan sal mij met de antwoorde door Uwe dienaer, daer toe gelast (bij occasy van verlet ten hooghsten verplight aghten te blijven)", etc.

II. DEDICATIES IN BOEKEN.

Ook in de Republiek der Letteren komt men patroon/cliënt-verhoudingen, netwerken en vriendenkringen tegen. Het "voorwerk" van boeken is hier de meest uitgesproken manifestatie van, de zogenoemde dedicaties, lofdichten en introducties, die aan het eigenlijke werk voorafgingen. In een dedicatie werd met veel pluimstrijkerij de bescherming over het werk van degeen aan wie het boek is opgedragen afgebeden. In lofdichten werden schrijver en boek hemelhoog aangeprezen; en in de voorwoorden - "aan de goedgunstige lezer" - was de bedreiging van "nijdaards" of de afgunstigen een bekend element. De drie categorieën waren niet tot elkaar verplicht; men vindt ze ook afzonderlijk van elkaar of in verschillende samenstellingen.

Het belangrijkste motief voor een opdracht aan een hoge magistraat was, zoals verderop zal blijken, hem te behagen en er als auteur beter van te worden. Dedicaties in boeken vormen daarom een uitgelezen middel om de werking van patronage in de Republiek der Letteren te onderzoeken. In het geval van Nicolaes Witsen gold dit voor tenminste 46 personen. Bij elkaar droegen zij 41 boeken en 14 dissertaties aan hem op. Daarnaast staat hij in tenminste 14 gevallen nog eens genoemd temidden van andere magistraten; en voorts treft men op landkaarten en in prenten verschillende aan hem persoonlijk gerichte dedicaties aan. (Zie Bijlage)

In Nederland is het verschijnsel dedicatie niet systematisch onderzocht, vermoedelijk ook omdat men ze in de bibliografische registraties tot voor kort placht te negeren. Om na te gaan welke boeken er aan één bepaalde regent waren opgedragen, is dus vrijwel onbegonnen werk.

[90]

Nicolaes Witsens veilingcatalogus geeft evenwel een aantal aanknopingspunten, waardoor in elk geval het te onderzoeken boekenbestand aanzienlijk kon worden teruggebracht. Zo bezat Witsen doorgaans meerdere werken van auteurs waarmee hij contact onderhield. In combinatie met de volgende twee karakteristieken in de catalogus, als een opvallend aantal lotnummers met doubletten - zij kunnen wel tot zes exemplaren van eenzelfde uitgave belopen -, en de vermelding van een speciaal type band (als "Franse band" of "ribbe band"), of het materiaal waarin de band gestoken was (perkament, kalf, marokijn, turks of jugtleer), blijkt het dat zij exponenten zijn van een veel uitgebreider gewoonte binnen het patronage- of dienstverleningsysteem in de Republiek der Letteren. Gedoeld wordt hier op het verschijnsel "boekschenkingen". Gedediceerde boeken horen ook daartoe.

Verschuldigde dankbaarheid.

In de Witsencatalogus illustreren de doubletten en luxe banden in het bijzonder hoe men destijds in de literaire wereld een schuld met boeken vereffende. Het was bijvoorbeeld normaal dat een schrijver geheel of gedeeltelijk door zijn uitgever in boeken werd uitbetaald. Op dezelfde wijze voldeden auteurs en uitgevers hun "schuld" - in dankvorm - ook aan Witsen. In het geval zij het boek aan hem opdroegen, kreeg hij daarvoor één fraai gebonden exemplaar en soms een extra aantal om weg te schenken of te verruilen.

Waaruit bestond nu die "schuld" van auteurs, vertalers, tekstbezorgers, uitgevers, enz. bij Witsen? Veelal blijkt die met één of andere vorm van gunstenverlening of bemiddeling te maken te hebben gehad. Als magistraat kon Witsen iemand bijvoorbeeld aan een zodanige betrekking hebben geholpen, dat die de ruimte kreeg om zich meer aan studie en schrijven te wijden, zoals we al bij Johannes Seidelius zagen. Uitgevers was hij behulpzaam door ze opdrachten toe te spelen, in een enkel geval zelfs door ze uit handen van de schout te houden, of - als de man van buiten de stad kwam - hem te helpen met het verkrijgen van het poorterschap. Als bewindhebber van de VOC zat hij eveneens in de positie om iemand te

[91]

"vorderen", en dankzij zijn eigen sociale netwerk was hij in staat, zowel in patria als overzee, voor de noodzakelijke introducties te zorgen. En ook vanuit zijn eigen brede belangstelling kon hij een aardig legertje geleerden en liefhebbers van anders onbereikbare informatie voorzien.

Dat er na Witsens dood nog zoveel doubletten bestonden, wijst er op, dat Witsen ze eenmaal in bezit kennelijk liet voor wat ze waren. Of hij kreeg er teveel om uit te delen. Illustratief voor dit laatste is wellicht, dat hij in 1704 aan zijn correspondentievriend Antonius Matthaeus - uit dank dat deze een boek aan hem opdroeg - vijf exemplaren van een Ethiopisch psalterium (van 1701) toestuurde. Deze boeken had hij weer uit dank voor bemiddeling en informatie ontvangen van een andere correspondentievriend, de Duitse oriëntalist Job Ludolph. Maar de aan Matthaeus toegezonden boeken waren lang niet alle exemplaren, want de catalogus vermeldt onder hetzelfde lotnummer nog eens vijf boeken met deze titel. Dat Matthaeus, een jurist en historicus, voor zijn dedicatie vijf psalmboeken in het Ethiopisch van Witsen ontving - "om aan UEdele vrinden te distribueren" -, is een zeldzaam voorbeeld hoe een particulier hiervoor zijn erkentelijkheid uitdrukte. "Ik zal trachten UEdele hierna ten uwen aanzien vrindschap te doen", beloofde Witsen bovendien, hem tevens nog een doosje met thee en een potje geconfijte noten schenkend.

De luxe banden in Witsens bezit duiden doorgaans op een geschenk. Wat het uiterlijk van zijn boeken betreft was hij weinig prachtlievend. Zo’n in leer gebonden werk kon hij ontvangen hebben uit dank voor een gunst, maar ook om er een verering of weldaad voor terug te ontvangen. Illustratief is de handelwijze van Cornelis de Bruyn (1652-1727). Witsen kreeg van deze tekenaar, schrijver en reiziger van professie diens boek Reizen over Moskovie (1711) present. Blijkens Witsens veilingcatalogus was dit boek gedrukt op "groot papier" en gestoken in een Franse band. Daarnaast bezat hij van hetzelfde werk nog een exemplaar op kleiner formaat. Dat Witsen dit prachtwerk aangeboden kreeg, was omdat hij voor De Bruyns reis door Rusland, Perzië en Oost-Indië de aanbevelingsbrieven had verzorgd, de verantwoording voor de opslag van zijn naar huis toegestuurde curiositeiten op zich had

[92]

genomen en hem, eenmaal terug in patria, ook nog eens met adviezen voor het schrijven van zijn tekst terzijde had gestaan. Zoals de conventie wilde, zal Witsen hem niettemin voor het geschenk van dit boek een gepaste waardering terug hebben gegeven.

Daarnaast was Witsen door De Bruyn uitvoerig in zijn voorwoord en elders in het boek bedacht. Maar toch droeg hij het resultaat aan een ander, de hertog van Brunswijk op. Wellicht omdat Witsen burgemeester-af was, maar stellig ook vanwege de te verwachten beloning. Uit ervaring wist hij dat deze vorst zo'n opdracht naar waarde wist te schatten. Dit was te meer belangrijk, omdat De Bruyn zijn werk in eigen beheer had laten verschijnen. Omdat hij als reizend kunstenaar geen vaste inkomsten genoot, moest hij voor zijn dedicatie naar een zo hoog mogelijke opbrengst streven.

Gunstbewijs of beloning.

Ging het in Cornelis de Bruyns geval om een kunstminnend buitenlandse vorst van grote rijkdom, die vermaard stond om zijn gulheid voor schrijvers en kunstenaars, in de Nederlanden had men voor het "schenken" van zijn dedicatie nog de keuze tussen: 1. de eigen vorst (De Bruyn droeg zijn eerste boek aan koning-stadhouder Willem III op), 2. allerlei bestuurlijke instanties en 3. een aanzienlijke groep individuele personen, veelal bestaande uit hoog gepositioneerden en aanverwanten. Elke categorie kende zo zijn eigen prijs.

Over hoe een particulier een schrijver bedankte voor een aan hem gerichte opdracht is weinig bekend, maar stellig zal dit afhankelijk geweest zijn van factoren als het type werk, hun beider sociale positie en hun onderlinge relatie. In het geval van Matthaeus zagen we, dat hij door Witsen beloond werd met boeken, enkele lekkernijen en een "vriendschapsbetuiging",

[93]

anders gezegd: indien nodig, zou Witsen zijn invloed voor Matthaeus en de zijnen aanwenden. Matthaeus was een door Witsen hoog geacht geleerde, die een vaste betrekking als hoogleraar bekleedde.

Evenwel, het voorbeeld van Arnold Houbraken (1660-1719) laat zien dat zo’n dankbetuiging niet iedereen gegeven was. Houbraken was een schilder zonder vaste inkomsten en begunstigers, die uit armoede gedreven een driedelig boek over zijn collega’s had samengesteld. Niet altijd was het hem zo slecht gegaan, aldus zijn vriend Johan van Gool. In 1710 was hij door Witsens neef en pupil Jonas Witsen II (1676-1715) - "een der grootste Kunstbeminnaars van zijn tijt" - uit Dordrecht naar Amsterdam "weggelokt". "Maer (…) zijn Maecenas werd (…) door de doot weggerukt, voor dat zijne achting daer bestendigt, en zijn Kunst gewilt was". In zijn boek De nieuwe schouburg der Nederlantsche kunstschilders en schilderessen (1750) gaat Van Gool uitgebreid in op Houbrakens wederwaardigheden aangaande het opdragen en present doen alsmede de beloning van zijn werk. De magistraat namelijk aan wie Houbraken zijn eerste deel had opgedragen, had de conventies met voeten getreden. Van Gool mat de kwestie breed uit, de boosdoener noemde hij met naam en toenaam, stellig ook omdat Van Gool als kunstenaarsbiograaf in dezelfde positie zat.

De gewraakte affaire speelde zich af rond Houbrakens boek De Groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen. Een boek met anderhalve eeuw kunstenaarsbiografieën, waar hij postuum grote bekendheid mee kreeg. Met de produktie waren grote onkosten gemoeid geweest. Net als Cornelis de Bruyn had Houbraken zijn werk in eigen beheer doen verschijnen. Vanwege zijn grote kinderschare en zijn onbekendheid als schilder was het voor hem van veel belang dat hij goed voor de dedicatie betaald werd. Ook had hij, als De Bruyn, zijn risico gespreid door via intekening te werken: drie gulden vooraf en hetzelfde bedrag bij aflevering. Het werk verscheen ook niet ineens, maar in drie delen, verspreid over de jaren 1718, '19 en '21.

Houbrakens ervaringen waren als volgt. Eerst liet hij, via een tussenpersoon, de griffier François Fagel verzoeken of hij zijn boek aan hem mocht opdragen, "maer dit verzoek wierd op eene beleefde wijze afgeslagen". Vervolgens probeerde hij het bij Johan van Schuilenburg, raadsheer, secretaris en griffier der nagelaten domeinen van Willem III:

deze Heer liet zich dit verzoek welgevallen; het geen hy licht kon doen, als uit de onedelmoedige behandeling, omtrent den Auteur en deszelfs Weduwe

[94]

nader zal blyken. Zo dra het eerste Deel afgedrukt was, liet onzen Arnold het in best maroquin, vergult op't plat, binden, en bracht het, nevens een van zyne beste Kabinetstukjes, by den Heer van Schuilenburg, in hope en verwachting, dat dien Heer dit gulhertig geschenk met eene edelmoedige beloning, overeenkomstig met zijnen staet en vermogen, zou beantwoort hebben, en dat hy het by zich hebbende Stuk Schildery van hem zou hebben gekocht; maer het een en ander viel vlak tegen zyne gedachten uit; hy ontfing het allerminste geschenk niet, en moest het schildery weer naer huis dragen. Deze ongehoorde behandeling maekte hem als beroerd van spyt: hy quam my zynen noot klagen; ik trooste hem met de hoop, dat dien Heer, mogelyk, met het tweede Deel dank-erkentenis zou bewyzen.

Terwijl Houbraken het volgende deel aan de kunstverzamelaar Pieter de la Court opdroeg, - die hem daarvoor beloonde met een "fraei zilvergeschenk" -, boden hij en zijn echtgenote in navolging van Van Gools advies dit tweede en ook zelfs het derde deel aan Van Schuilenburg ten geschenke aan. Wederom hadden de Houbrakens de boeken laten steken in een kostbare verguld marokijnen band. Maar het tweede deel "wiert al meede met een grimlachje en een bloot bedankje ontfangen", terwijl de inmiddels weduwe geworden echtgenote bij het derde deel niet eens belet kreeg en het aan de deur moest afgeven, aldus de verbijsterde verteller. Van de knecht kreeg de bedroefde vrouw tot haar verbazing en schade te horen "Dat het wel is". "Wat zy hier tegen praete of niet, daer quam geen andere vergelding, zy moest met dit woordelyk geschenk vertrekken". Ook Fagel werd opnieuw benaderd, het water stond hen duidelijk aan de lippen - Fagel stond immers alom bekend als gul en een liefhebber van boeken -, nu om hem het boek "ten geschenke" aan te bieden. Ofschoon deze eerder Houbrakens dedicatieverzoek had afgewimpeld, toonde Fagel zich nu van zijn beste kant. Voor het fraai gebonden eerste deel ontving Houbraken van "dien weergaloos mildadigen en edelmoedigen Vergelder van alle aengeboden eerbewyzen" tien dukaten, en voor de volgende twee delen elk nog eens tien. Na het laatste deel werd Fagel door de niet van eigen belang gespeende verteller gepromoveerd tot "die goede Vader des Vaderlants en aller Weduwen en Wezen".

Van Gools boodschap is duidelijk. Indien iemand een boek op eigen kosten uitgaf (zoals Van Gool zelf ook had gedaan), probeerde de schrijver hiervoor via een dedicatie en door het aan rijke liefhebbers aanbieden van luxe gebonden exemplaren zoveel mogelijk geld te ontvangen. Hoewel niets zwart op wit stond en de verering aan de edelmoedigheid van de ander werd overgelaten, bestonden er niettemin regels. Vanuit zijn hoge positie dacht Van Schuilenburg die te kunnen schofferen. Maar hij had buiten de waard gerekend. Houbrakens opvolger nam wraak door hem in zijn boek voor eeuwig aan de schandpaal te nagelen. Hier konden immers geen precedenten geschapen worden!

Het is interessant te lezen hoe de opdracht aan Van Schuilenburgh luidde. Deze blijkt (net als die aan De la Court trouwens) uiterst summier. Naast de vermelding van zijn naam en titels, presenteerde Houbraken hem als "Groot beminnaar van de schilderkonst"; waarna hij vervolgde: "wort dit eerste deel van den Grooten Schouburgh der Konstschilders en

[95]

Schilderessen, met eerbied opgedragen, door Zijne Edelheits onderdanigen dienaar", etc. Van enige relatie tussen de twee wordt in deze tekst geen mededeling gedaan, laat staan dat er sprake is van een "verschuldigde dank".- Een soortgelijke formulering leest men ook in Houbrakens andere dedicatie.

Vanwege deze reden, het verkrijgen van een verering of gunstbewijs voor een dedicatie, kon er tussen een uitgever en een auteur over het recht op de opdracht nog wel eens onenigheid ontstaan. Er bestonden dan ook contracten, waarin dit speciaal werd vastgelegd.

Vorm en strekking van een dedicatie.

Een dedicatie was aan een aantal vaste conventies onderworpen. Zij was bijvoorbeeld altijd opgesteld in de vorm van een brief (dissertaties en disputaties uitgezonderd). Naam en eertitels van de aangesprokene gingen met grote letters aan de tekst vooraf, gevolgd door de aanhef en de inhoud van de boodschap. Hoewel die kon variëren van een enkele regel tot enige tientallen bladzijden, omvatte het in essentie het verzoek het boek aan de geadresseerde te mogen opdragen, alsmede de argumenten waarom. In Witsens geval werd meestal als reden opgegeven verschuldigde dankbaarheid en zijn geleerde interesses. Ook de stilistische verpakking verliep volgens een vast patroon. Net als de vorm (brief) en de inhoud van de tekst werd zij gedikteerd door de regels der retorica. Zo was een gebruikelijke methode om iemand gunstig te stemmen al zijn deugden en functies op te sommen. (Deed men dat niet of maar ten dele dan refereerde men ook wel aan het modeste karakter van de betrokkene of aan het tekortschieten van hun eigen beeldend vermogen: "Onnodigh waere derhalven een Kaers te willen ontsteeken voor de Son, en veel te willen seggen van't geene niemant onbekent is", aldus bijvoorbeeld de uitgever Johannes Ribbius.) Vooral mensen in ondergeschikte posities klampten zich aan deze stijlregels of "topoi" vast. Geleerden, die in een maatschappelijk hoge rangorde zaten en onafhankelijker funktioneerden, namen aanmerkelijk meer vrijheden binnen hun tekst. "Amateur"dichters en -toneelschrijvers wilden nog wel eens met een gedicht naar voren komen. Evenwel, de toon bleef vleiend. En ook hier gold vanzelf, dat hoe meer een scribent er bij te winnen had, des te zoetgevooisder de tekst en met meer verve het "bescheidenheidstopos" - de verontschuldiging van de auteur voor de nederigheid van zijn produkt - tot uitdrukking werd gebracht.

De dedicatie placht men af te sluiten met een heilwens en verklaringen van gevoelens van onderdanigheid, diepe genegenheid, trouw, respect, enz., gevolgd door de ondertekening,

[96]

veelal tezamen met plaats en datum. Van tevoren had men de brief met het manuscript of drukproef opgestuurd naar de betrokkene, die daarop zijn fiat kon geven. Op die manier kreeg de geadresseerde tevens de mogelijkheid correcties aan te brengen. Een dedicatie geschiedde dus gewoonlijk in overleg.

Door een dedicatie te accepteren werd de daarmee bedachte heer (soms dame) automatisch de "schutspatroon" over het boek. Want als het werk onaanvaardbaar was, zo was de gedachte, zou men er de naam van zijn geslacht niet op een zo in het oog springende wijze ("op het voorhoofd van het boek" placht men wel te zeggen) aan gehecht wensen te zien. Niet zelden prijkte voorafgaand aan de dedicatie ook het familiewapen van de heer, of een prent, waarin dit wapen was verwerkt. (Zie Afb. 2, p.116) Aldus stond de beschermheer garant voor het gepresenteerde en "waakte" hij over het voor hem liggende boek.

Kennelijk lag in de wereld der letteren de situatie zo, dat men dacht dat door iemands geslachtsnaam, eretitels en familieschild in het geweer te stellen, dit afdoende was om de aanvallen van kritiek de mond te snoeren. In de gewone wereld was het feitelijk niet anders. Omgekeerd schonk zo'n publiekelijk verzoek natuurlijk ook prestige aan de heer in kwestie: het strekte hem en zijn familie immers tot eer als een beschermer van wetenschap, letteren, de ware godsdienst, vlijt, etc. te kunnen worden aangemerkt. Opvallend bij dit alles is wel dat iemands bescherming of patronage in de wereld van dedicaties alleen dat ene werk betrof en niet bijvoorbeeld de scribent in kwestie.

Tot nu toe impliceerde dit overzicht, dat de schutspatroon een hoge maatschappelijke positie bekleedde. Uiteindelijk betreft dit onderzoek Nicolaes Witsen en het analyseren van aan hem gerichte dedicaties op zijn particuliere patronage. Maar het waren niet enkel hoge heren die via opdrachten het werk luister bij zetten. Men treft er evenzeer vrienden, vriendinnen, echtgenotes en schoonvaders in aan. Vanuit het standpunt van belangenbehartiging vormen

[97]

zij evenwel een andere categorie. Hoe de opdrachten aan familie en vrienden zich verhielden tot die aan magistraten en patronen is nog onuitgezocht. En zeker niet alle boeken waren van een opdracht of andersoortig "voorwerk" voorzien. Maar hoeveel dat er waren en in welke verhouding zij stonden tot de boeken die wel een opdracht voerden, blijft een vraag.

Opdrachten in Witsens eigen werk.

Ook Nicolaes Witsen tooide zijn werk, op een uitzondering na, met opdrachten. Bij wie verkeerde hij nu zelf in "schuldige dankbaarheid", afgaande op zijn publicaties? Johannes Hudde blijkt de eerste geweest te zijn, die hij in een publikatie bedacht. In april 1662 had Witsen aan het Amsterdamse Athenaeum ter afronding van zijn opleiding een disputatie gehouden, waarin hij de invloed der kometen op het aardse heil bestreed. Hij noemde Hudde hierin een "Philosophus et mathematicus incomparabilis", onvergelijkelijk filosoof en wiskundige. Hudde was zoals we zagen van grote invloed geweest op Witsens politieke loopbaan, maar als briljant mathematicus, neef en vriend was hij vermoedelijk even bepalend voor de richting van zijn interessen en studies geweest. Hoewel Witsen twee jaar later (in april 1664) tevens zijn bul in de rechten in Leiden behaalde, lag zijn liefde veeleer op het gebied van de filosofie en de wis- en sterrenkunde. Ook zijn dissertatie droeg hij aan bloedverwanten op: aan zijn vader Cornelis ("Parenti honorando"), zijn oudste broer Jan ("Fratri charissimo") en aan Jacques Thierry. Deze in Londen geboren Thierry (1604-1677) was assuradeur en reder op Engeland en de Caraïben. Witsen omschreef hem als "hij die de zaken betreffende de Middellandse Zee regelt, mijn bloedverwant en zeer geacht ondernemer".

Merkwaardig genoeg ontbreekt een opdracht in zijn eerste grote werk, de Scheepsbouw en Bestier van 1671 - zeker gezien zijn kennelijk afhankelijke positie in die tijd. Wel is het van lofdichten voorzien, waaronder die van de filoloog en wiskundige Samuel Tennulius, hoogleraar te Nijmegen, de geleerde arts Matthaeus Sladus (1628-1689) en de jonggestorven, alom geprezen dichter Johannes Antonides van der Goes (1647-1684), die vlak daarvoor zijn

[98]

Ystroom had gepubliceerd. Het boek was uitgegeven door Casparus Commelijn en Broer en Jan Appelaer en blijkt in feite Witsens enige boek te zijn dat in de handel kwam.

Na dit boek duurde het een hele tijd voor Witsen weer tot een publikatie kwam. Tijdrovende zaken hielden hem af van zijn liefhebberij, de studie, die zich sinds zijn ambassade naar Moskou in 1663/64 steeds meer had toegespitst op de geografie van Tartarije. Zijn carrière had sindsdien een flinke sprong genomen en hij was reeds verschillende malen als burgemeester in de regering geweest. In 1687 verscheen "na twintig jaar nauwkeurig onderzoek", zoals hij erboven stelde, zijn Nieuwe Lantkaarte van het Noorder en Ooster deel van Europa Strekkende van Nova Zemla tot China. De kaart was gemaakt met officieel verlof van de beide tsaren van Rusland, wat automatisch inhield dat de opdracht naar hen toeging, de broers Iwan en Peter Alexowitz. Een facsimile van de bedankbrief die van beide vorsten op 15 mei 1690 op zijn prestatie volgde, plaatste Witsen later in kopergravure in zijn boek Noord en Oost Tartarije (1692), dat met zijn ca. 700 pagina's een lijvig "commentaar" op de kaart vormde. De tsaren riepen Witsen in deze brief op om met zijn onderzoek voort te gaan, hem tegelijk een "oekaze" verlenend om koophandel te drijven op Moskou.

In 1690 liet Witsen een geheel herziene editie van de Scheepsbouw drukken, ditmaal bij Pieter en Joan Blaeu onder de titel Architectura Navalis. Net als bij de eerste druk zit ook hierin geen opdracht, maar het lofwerk is aanmerkelijk in omvang toegenomen. Naast de reeds genoemde dichters had Witsen nu ook een aantal bevriende geleerden om hun aanbeveling verzocht, geleerden die we als auteurs ook weer in Witsens boekerij terugzien. Dat waren de vrijzinnige predikant Balthasar Bekker (1634-1698), Cornelis van Beughem - een bibliograaf die twee jaar eerder Witsen met een dedicatie in een eigen boek had bedacht, maar nu ook het onderhavige Architectura Navalis met een observatie had verrijkt -, en de Utrechtse geleerde

[99]

Joannes Georgius Graevius (1632-1703). Met een citaat uit werk van de hoogleraar in de theologie te Leiden, Fredericus Spanhemius (1632-1701), waarin deze zich lovend over Witsen uitliet, werd dit geheel besloten. Toch is deze heruitgave, in tegenstelling tot de eerste uitgave, nooit in de reguliere handel terechtgekomen. Waarom dat zo was, blijft nog steeds een vraag. Hoewel er na zijn dood een grote partij gedrukt van werd aangetroffen, met etsplaten en al, is het werk inmiddels zo zeldzaam, dat er maar vier exemplaren van bekend zijn.

Ook bij het openslaan van Noord en Oost Tartarije van 1692 wordt de beschouwer meteen met zijn neus op de vele lofprijzingen gedrukt. Vooraan in het boek staan de gunstige opinies geciteerd uit de toenmalige tijdschriften, alsmede brieven welke gezaghebbende personen over Witsens kaart hadden geschreven, brieven die hem aanspoorden om voort te gaan. Vanzelf was, net als zijn grote kaart, ook dit werk "Aan de Alder-doorlugtigste, Alder-grootmachtigste groote Heeren Zaaren en Groot-Vorsten Joan Alexewitz [&] Peter Alexewitz" opgedragen, met daarnaast dus eerdergenoemde "Haar Zaarze Maiesteyten brief" die hem ook al aanmoedigde om door te werken aan zijn onderzoek. De opdracht wijkt in zoverre van de traditie af, dat de tekst niet alleen extreem kort is, maar ook niet in briefvorm is opgesteld: ze is gegraveerd op een als gedenkteken uitziende console. Desalniettemin is ook dit boek, dat Witsen had laten drukken op eigen kosten, nooit officieel in de handel gebracht. Van deze editie zijn over de hele wereld eveneens nog maar vier exemplaren bekend.

Was dit boek over Tartarije wellicht een voorlopige versie, dertien jaar later verscheen in 1705 ook hiervan een geheel herziene, fors vermeerderde druk. Na de dood van Iwan is het alleen Peter aan wie Witsen zijn boek opdraagt. Net als bij al zijn voorgaande dedicaties treft de kortheid van de tekst. De brieven van liefhebbers en geleerden alsmede de dankbrief van de beide tsaren met betrekking tot de grote kaart blijkt Witsen nu te hebben laten vallen.

Een opmerkelijk feit is, dat ook de laatste editie van Witsens boek over Tartarije tijdens zijn leven nooit officieel op de markt is verschenen. Dit lijkt wel Witsens lot te zijn geweest. Want, zoals hij Gijsbert Cuper, de vraagbaak van geleerd Europa, uitlegde, hij wachtte tot hij het de grote tsaar persoonlijk aan kon bieden. Maar toen die eindelijk in 1717 weer in Nederland kwam, blies Witsen net zijn laatste adem uit.

 

III. NICOLAES WITSEN ALS MECENAS.

Menig auteur refereert in de boekdedicaties aan Witsens liefde voor de wetenschap en letteren. Daarentegen noemde men hem maar zelden patroon of mecenas. Tot de weinigen die hem met de eernaam "maecenas" tooiden (het blijken er in totaal vier te zijn), behoorde ook François Halma (1653-1722), uitgever en verkoper van "geleerde en geachte boeken". Halma trekt in

[100]

zijn opdracht in het prachtig geïllustreerde werk van F. Desseine - het in 1704 in drie delen uitgebrachte Oud en Nieuw Rome - alle hulderegisters van het retorisch instrumentarium open. Met een zwier van woorden laat hij één voor één al zijn ambten, zijn kennis en kwaliteiten, zijn pennevruchten, enz. de revue passeren om de lezer en vooral Witsen zelf te laten weten hoe hoog deze alom werd geacht.

Waarom Halma "eerbiedspligt" aan Witsen verschuldigd was, laat zich raden. Vlak voordat Desseines boek van de pers kwam, had Witsen bij Halma een werk van de in Moskou wonende Eberhard Ysbrants Ides laten drukken, zijn Driejarige reize naar China (1704). Witsen was van dit werk bovendien deels de tekstbezorger geweest, zoals hij Cuper in 1709 verklaarde. Eerder, in 1701, had Witsen bij Halma tevens de hand in de publicatie van Ides’ kaart van Moscovië gehad. De basis hiervoor was Witsens kaart van Tartarije geweest, die Ides van Peter de Grote voor zijn reis als gezant naar het hof van Peking in 1692-’95 had meegekregen. Vanwege de publiciteitsverordeningen rondom de tsaar sprak het vanzelf dat Ides het boek aan Peter opdroeg. Maar Witsen kreeg in een voorin het boek opgenomen lange brief wel alle lof toegezwaaid. Dezelfde waardering valt te lezen uit de cartouche boven de kaart. Evenwel, uit Halma’s voorbericht op Ides’ boek vernemen we pas echt waarom Halma zo uitgebreid en volgens de regels zijn dank betuigde. Halma verklaarde hier namelijk dat Ides’ werk slechts als een voorloper beschouwd diende te worden. Want binnenkort zou hij de bezorger zijn van Witsens eigen opus, zijn "groot en uitmuntend werk" Noord en Oost Tartarije!

Ook Witsens cliënt Dirk Bosboom (1648-1707), op wie verderop uitvoeriger zal worden ingegaan, liet in deze tijd een boekje bij Halma verschijnen. Oprecht dankbaar, omdat Witsen "aan mij in't bijzonder zo veele gunsten heeft believen te bewijzen", droeg hij naast een twee

[101]

jaar eerder verschenen werk over het perspectief Witsen ook zijn Verhandeling der algemeene Bouw-order (1705) op. Halma op zijn beurt, die zelf ook graag de pen ter hand nam, bedacht Bosboom met een vier bladzijden lang lofdicht. Dat Witsen geregeld contact onderhield met Halma en zijn uitgeverij blijkt tot slot ook uit zijn boekenkast. Niet alleen zaten hier heel wat fraai gebonden werken uit zijn winkel tussen, maar ook pennevruchten van Halma zelf.

Halma's lofzang in het door hem uitgegeven boek van Desseine had dus zijn redenen. Maar hoe presenteert hij Witsen nu in de dedicatie als mecenas? Niet als iemand, die zijn beurs trok en aan nooddruftige talenten in ruil voor werk een toelage offreerde, zoals men nu wel over een mecenas pleegt te denken. Halma omschreef Witsen als mecenas als "een Voorstander der geleerdheit en van alle loffelyke kunsten en wetenschappen, en daar benevens een beminnaar van alle liefwaardige frayigheden". Feitelijk doelde Halma met zijn loftuiting op de oude Romein Maecenas, een figuur uit de klassieke Oudheid, die om zijn kunst- en wetenschappen bevorderende weldaden een begrip was geworden. Een hoogwaardigheidsbekleder als Witsen met deze illustere grootheid te vergelijken was geheel volgens de loftraditie van zijn tijd. En daar kwam nog bij dat het boek deels over het Oude, klassieke, Rome ging. Toch verbaast Halma's dedicatie bij de twee volgende delen over het Nieuwe Rome. Deze lijkt de portée van de zo met vuur gebrachte loftuitingen weer teniet te doen. Niet omdat zij aan een ander, namelijk de Leidse schepen Koenraad Ruisch zijn opgedragen, maar vanwege de frappante overeenkomst qua inhoud en stelwijze tussen beide opdrachten; want naast de opsomming van kwaliteiten vinden we ook hier de eertitel van mecenas en ook hier de vergelijking van zijn daden met die van Grote Mannen uit de Oudheid. Kennelijk werd door alle partijen een dedicatie als een weliswaar noodzakelijk, maar toch ook wel platgewalst cliché gezien.

Er is geen reden om aan te nemen dat de andere drie die Witsen mecenas noemden een andere denkwijze waren toegedaan. Eén sprak hem in zijn dissertatie aldus aan (in combinatie met patroon, vanzelf in het Latijn): "Maecenati suo ac patrono aeviternum". Dat was Johan Philip Breyn, de zoon van de destijds vermaarde Danziger botanicus Jacob Breyn (/Brayne). De andere twee waren de uit Groningen afkomstige arts, oudheidkundige en dichter Ludolf Smids, en de in Duisburg werkzame professor Heinrich Christian [von] Hennin, eveneens medicus en oudheidkundige. Weliswaar sprak deze voor zijn in 1696 overleden neef Jacobus Tollius, maar ook die had als burgemeesterszoon, geneesheer, diplomaat en hoogleraar altijd in gegoede kringen verkeerd. Het Latijnse "Maecenas", "fautor", "tutor" en "patronus" waren, althans in Witsens geval, equivalenten van begunstiger, voorstander en beschermer, zij het dat "maecenas" kennelijk vooral in geleerde situaties werd gebruikt, bij academici met name, en "patronus" eerder voor werk. Voor zijn begunstiging en voorstand echter wordt Witsen in al de dedicaties, ook door geleerden, hartelijk bedankt.

Nergens wordt Witsen als een particuliere geldverstrekker voorgesteld, het uitlenen van geld buiten beschouwing gelaten. Daarentegen was hij wel degeen die gunsten verleende in de

[102]

[---]

Afb. 1. Prent van A. Schoonebeek in werken van Ludovicus Smids (1694 en 1695)

met Nicolaes Witsens portretbuste en wapen,

zijn zinspreuk ‘labor omnia vincit’ en zijn burgemeestersattributen

alsmede verwijzingen naar Witsen als liefhebber van wetenschap

(Foto: Ferry André de la Porte)

vorm van werk, het leggen van contacten en het geven van aanbevelingen. Ging het bij Witsen wat de letterkundige produktie betreft hoofdzakelijk om de protektie van "werk tot nut van het algemeen", dus datgene wat hemzelf het meeste aansprak, dezelfde procedure komt men ook bij begunstigers op andere terreinen tegen met betrekking tot dichters, schilders, beeldhouwers, architecten, componisten, enzovoorts. Men gaf niet zomaar geld, men zorgde voor werk en opdrachten en maakte reclame voor de persoon in kwestie (vandaar ook die andere benamingen voor patroon en beschermheer zoals voorstander of promotor). Hierbij is aan het volgende nog geen aandacht besteed: wanneer iemand een betrekking had gekregen, hoefde dit niet altijd te impliceren, dat de bezorgde post ook inderdaad door de begunstigde zelf bezet

[103]

werd. Er waren immers talloze minder geprivilegieerden, een reden waarom menig geschonken baantje dan ook doorverhuurd werd.

Hoe het ook zij, indien zo'n met werk begunstigde cliënt of anderszins begenadigde een boek produceerde, kon deze zijn "eerbiedsplicht" door middel van een dedicatie naar buiten brengen, daarmee tegelijk degene die zijn zaak had voorgestaan bedankend en vergoedend. Idealiter stemde dat de protector zo "gunstig", dat de scribent daar weer wel bij voer.

Dirk Bosboom kon als cliënt bogen op een langdurige werkrelatie bij Witsen. Om die reden zijn de beide boeken die hij schreef aan deze patroon opgedragen. Maar voor de overige dedicatieschrijvers golden andere criteria. Geleerden, dichters, broodschrijvers, vertalers, uitgevers en promovendi moesten doorgaans meer heren naar de ogen zien. Over de vraag wie uiteindelijk de beschermheer van hun boek zou worden, beslisten derhalve factoren als betoonde interesse voor het onderwerp, de positie van de beoogde heer alsmede de te verwachten generositeit in zijn gunstbetoon. Met betrekking tot de eerste factor - interesse in het onderwerp - verklaarden verschillende auteurs over Witsen, dat deze zijn belangstelling voor hun werk al in een vroeger stadium had kenbaar gemaakt. Dit waren Joan Nieuhof, Antonius Matthaeus, Olfert Dapper, Jan Jansz. Struys en Pieter Verduin. Volgens dezelfde schrijvers had hij hen bij die gelegenheid aangespoord om hun werk in druk te laten verschijnen.

IV. DE OPDRACHTSCHRIJVERS.

Het is opvallend om te zien hoe in de lijst aan Witsen gedediceerde werken het nut, het leerzame of belerende karakter van de inhoud, voorop stond. Zelfs de paar aan Witsen opgedragen toneelstukken, ontstaan buiten de periode van zijn burgemeesterschappen, blijken ofwel serieuze, op de politieke actualiteit geënte historische drama’s, ofwel een partijpolitiek zinnespel te zijn. Zij dragen veelzeggende titels als: De gewrooke Lucretia of Romen in vryheit (1669), een "Ryxs-Treurspel", Tieranny van Eigenbaat (1679) - een stuk dat ongekend populair zou worden -, en Cato, of de ondergang der Roomsche vryheid (1715).

[104]

Voorts valt op dat Nicolaes Witsens naam na zijn laatste burgemeesterschap (tot en met 31 januari 1706) op een uitzondering na niet meer in dedicaties voorkomt. Desondanks dateren er wel 8 opdrachten van voor zijn benoeming tot burgemeester, de vroegste van 1663, toen hij nog student en zonder ambten was. De reden hiervoor zal gezocht moeten worden in de politieke verandering van na de eeuwwisseling, toen de faktie van de Corvers de macht had overgenomen. Terzelfdertijd kwam ook nog Witsens invloedrijke neef Johannes Hudde te overlijden. Hoewel het erop lijkt dat Witsen zelf niet in staat was hier de gevolgen van te bevatten - immers tot aan het eind van zijn leven verwachtte hij herstel van zijn positie -, was het voor de meeste anderen wel duidelijk dat hij niet meer op het burgemeesterskussen terug zou keren. Als "thesaurus-ordinaris" heeft hij derhalve zijn loopbaan moeten eindigen. En zo raakte Witsen ook zijn "krediet" kwijt - voor gunsten moest men voortaan bij de Corver-faktie zijn. De verzamelde auteurs hebben zo te zien onmiddellijk op deze nieuwe marktsituatie gereageerd. Voor hun dedicaties bleek Witsen als beschermheer van hun werk niet interessant meer.

**

Er is al op gewezen dat het bestand aan Witsen gerichte gedrukte dedicaties niet alleen boeken behelsden, maar ook kaarten en prenten (Zie Bijlage). Daarnaast is er nog een onderscheid te maken in drukwerk, dat alleen aan Nicolaes Witsen was opgedragen en drukwerk, waarin hij met de stedelijke magistratuur werd genoemd.

De dedicaties aan de stedelijke magistratuur waren bestemd voor de vier burgemeesters, of de burgemeesters in combinatie met andere bestuursinstanties, zoals het college van schepenen, de curatoren van de hortus botanicus, etc. Deze categorie zal hier evenwel - hoe interessant ook - met uitzondering van de opgave in de Bijlage - verder buiten beschouwing worden gelaten. Hoewel Witsen verantwoordelijk kon wezen voor het aanbrengen van boeken bij het stadsbestuur, waren de omstandigheden anders. In de eerste plaats hebben we hier met een instantie te doen die uit meerdere stemhebbenden bestond; daarnaast werd de uitgave van met name die boeken door het stadsbestuur (in welke formatie dan ook) bevorderd die het belang van de stad en het algemeen welzijn dienden. De lijst in de Bijlage bevestigt dit beeld: Jan van der Heydens pleidooi voor het gebruik van slangbrandspuiten, de botanische werken van Johan en Caspar Commelin, Frederik Ruysch boek over anatomie, Antonius Matthaeus handboek van het canoniek recht, alsmede twee boeken van "geapprobeerde" predikanten en het net op poten

[105]

gezette tijdschrift Journal d'Amsterdam. - En niet te vergeten al de werken van de "stadshistorieschrijver" Gregorio Leti. Als men de loopbaan van genoemde auteurs overziet, lijdt het geen twijfel dat ook hier nepotistische motieven voor begunstiging van hun werk gegolden hebben.

*

Via de beroepsachtergrond van de auteurs, de stelwijze van de dedicaties en het genre aangeboden werk kunnen verschillende typen belanghebbenden bij Witsen worden onderscheiden. Zo kan onderscheid worden gemaakt tussen: cliënten; geleerden; personen die voor hun inkomsten afhankelijk waren van het boekbedrijf (uitgevers, vertalers, broodschrijvers); en gepromoveerden.

Cliënten: begunstiging in diensten en betrekkingen.

Begunstiging in diensten en betrekkingen, ook wel iemand "avanceren" genoemd, strekte zich uit over alle geledingen van de samenleving. Het is daarom opmerkelijk, dat geen enkele van de

onderzochte auteurs - op één uitzondering na - meedeelt hoe of waarmee hij precies begunstigd was. Misschien was het uit kiesheid of wilde men geen afgunst opwekken, maar men sprak over dit punt alleen in de meest algemene termen. Minder moeite hadden schrijvers daarentegen om de lezer te vertellen wat hun beroepspositie was. Predikanten en artsen vermeldden bijvoorbeeld steevast hun status en titel. En indien men dit niet meteen op de titelpagina kon aflezen, viel doorgaans wel uit het werk op te maken wat voor beroep de schrijver had: Jan Janszoon Struys was zeilmaker, onder meer in dienst van de tsaar, reden waarom hij zoveel avonturen beleefde. Joan Nieuhof werkte in een veelvoud van functies onder de vlag van zowel de West- als de Oost-Indische Compagnie: vandaar zijn verhalen over vreemde culturen. Dirk Bosboom vertelt uitgebreid in zijn inleiding welke studies hij niet allemaal had aangepakt - zijn boekjes zijn daarvan het resultaat.

Al deze mensen danken Witsen voor zijn begunstiging, maar alleen Hendrik Ghijsen vertelde hóe hij door Witsen begunstigd was. In een korte opdracht in Den Hoonig-raat der

[106]

Psalmdichten van 8 maart 1686 vertelde deze, dat hij "door Sijn Edelheits begunstiging" voorzanger in de Amstelkerk geworden was. Lofdichten van Constanter (de dichter-diplomaat Constantijn Huygens, "In het 90 Jaar van Sijn Edelheits ouderdom"), de predikanten Balthasar Bekker en J. Vollenhove alsmede een aantal andere destijds geachte poëten luidden het boekje in. Zo kon elke kerkganger zien welke imposante relaties Ghijsen had.

Hoe het met dergelijke benoemingen toeging, beschrijft R.B. Evenhuis in Ook dat was Amsterdam: "Voorlezers, kosters en hondenslagers werden geheel buiten de kerkeraad om door burgemeesters benoemd. Soms stuurden zij zonder meer een briefje met de naam van de door hen benoemde. Soms vergaten zij zelfs dat, en ontdekte de kerkeraad plotseling een nieuwe voorlezer in het doophuisje, aan wie de instructie nog moest worden voorgelegd".

Een soortgelijke cliënt was Witsens "diepverplichte, geringe en ootmoedige dienaer" Kornelis van Vleuten. Ook deze bracht een psalmboekje uit en wel in navolging van Ghijsen "van wiens werk", aldus de auteur, "bijna de gansche Kerk gewaagde". Zijn eigen papieren kind offreerde hij Witsen met de woorden:

Dit arm Weesje, eyndeling ter Waereld gebracht van een geringe, en om haar geringheyd verachte Moeder; komt zich, met alle schuldige hoogachting en eerbiediging, als onder Uwe wel-Edelheyds Vaderlyke vleugelen verbergen. Draagt het tekens van 's Moeders verachtelyke geringheyt; is't in slechte windsel en luiren gezwachtelt; 't zal echter den welgeäarden edele trekken en tekens van 's Vaders doorluchtigheyd vertoonen.

Ook de gereformeerde predikant Gerard Croese (1642-1710) behoorde tot Witsens kerkelijke cliëntèle. Hun contact dateerde al van jaren her, wellicht kenden zij elkaar al van school. Uit zijn breed uitgemeten dedicatie spreekt een vriendschappelijke persoonlijke relatie. Croese was zowel predikant op de vloot naar Smyrna als in het veld bij het staatse leger te Yperen geweest, had als zodanig ook in Engeland gewerkt en was de eerste schrijver van de geschiedenis van de Quakers in het Engels. Croese dankt Witsen in zijn boek voor "the Favours you have always shewed me, and of those Benefits you have made it your Business to heap upon me both at home and abroad". Zowel de Latijnse als de Engelse editie droeg hij aan hem op.

[107]

De volgende voorbeelden zijn afkomstig uit de burgerij en het scheepvaartmilieu. Bij sommigen wordt wat uitvoeriger op hun leven ingegaan, omdat alleen zo hun relatie met Witsen en de invloed van zijn protectie begrepen kan worden. Het betreffen: 1. de tekenaar-wiskundige Dirk Bosboom, 2. de zeilmaker-avonturier Jan Janszoon Struys, 3. de medicus Pieter Verduin, 4. de koopman-schilder Hendrik Nieuhof, broer van de zeeman-reisbeschrijver Joan Nieuhof, 5. Antoni Jansen, de vader van de jonggestorven dichter-arts Joannes Antonides van der Goes, en 6. de gebroeders La Gruë, vertalers en schrijvers van schoolboekjes alsook de beheerders van het nagelaten werk van hun vader Thomas.

Deze zes vormen een minder diverse groep cliënten dan op het eerste gezicht lijkt. In de eerste plaats konden de meesten op een langdurige "relatie" met Witsen bogen. De helft van hen maakte tevens aanspraak op zijn begunstiging, omdat inmiddels gestorven familieleden in het verleden gunsten van hem (en in tenminste één geval ook van zijn vader) ontvangen hadden. Maar de meest bindende factor voor de hele groep is, dat al deze door Witsen begenadigde auteurs alleen voor de gelegenheid schrijvers waren; hun feitelijke werk lag op een ander terrein. Hoewel hun professie zich in hun geschriften weerspiegelde (met uitzondering van het dichtwerk van Antonides vander Goes en het vertaalwerk van Dr. Thomas La Gruë, beide medici; de opdrachten boven hun postuum uitgegeven werk kwamen van bloedverwanten), bleef hun produktie tot deze enkele geschriften beperkt. Voor de meesten zal Witsens goedgunstigheid dan ook wel op hun eigenlijke werkterrein begonnen zijn.

1. DIRK BOSBOOM (1641-1707). Het meest illustratief hoe patronage van lange duur kon zijn, is wel het relaas van Dirk Bosboom. Bosboom schreef twee boeken, Perspectiva of Doorzicht-kunde (1703) en Verhandeling der algemeene Bouw-order (1705). Het laatste boek was een bewerking van een zeer populair leerboekje over bouworden in de architectuur - "de vijf Colommen" - dat zijn vader in 1657 had geschreven. Deze vader Simon Bosboom (1614-1662) was als stadssteenhouwer betrokken geweest bij de bouw van Amsterdams nieuwe stadhuis. Witsens eigen vader had daar als burgemeester natuurlijk ook van alles mee te maken gehad; de contacten tussen beide zoons zullen hier dan ook wel op terug te voeren zijn.

Dirk Bosbooms dedicaties wijken in zoverre van de gewoonlijke af, dat het verzoek om zijn werk te beschermen ontbreekt; kennelijk lag dat als vanzelf in hun relatie besloten. Hoewel Nicolaes Witsen even oud was als hij, bedankte Dirk hem in zijn eerste geschrift over het perspectief, dat hij hem "als een eygene Vader" had behandeld en dat hij hem altijd tot voorbeeld was geweest met zijn zinspreuk "Labor omnia vincit".

In het voorwoord vertelt hij zijn geschiedenis:

[108]

Na 't overlijden van mijn Vader, was ik wegens mijn beroep verplicht, de Bouw-kunst verder voort te zetten. Tot dat Engelant en Munster dezen staat met een hevigen oorlog ontrusten; 't welk de lust tot Bouwen hier vertraagde, en mijn met eenen van deze oeffening af trok. Ik nam dan het Teekenen en Etzen bij der hant, en tot een uytspanning, het Schilderen, eerst met Water, en daar na met Oly-verven. Hier na geviel het dat de Heer Burgermeester Nicolaes Witsen (wiens gunst ik menigmalen had beproeft) in't eerste Jaar van zijn Burgermeesterlijke regeering, mijn begunstigde met een eerlijke bediening: en eer dit jaar geëijndigt was, verkreeg ik van dezen Heer een ander, die meerder van aanzien en voordeliger was; welk ik tegenwoordig nog waar neeme. In dezen staat gebragt zijnde, groeyde de lust tot Schilderen aan; waarom ik, om mijn tijt met vermaak en nuttelijk door te brengen, besloot de leedige uuren in deze Kunst te besteeden.

Met welke bedieningen Witsen Bosboom begunstigde, weten we precies. Volgens het ambtenboek op het Gemeente Archief in Amsterdam werd hij op 3 april 1682 tot "aantekenaar op Friesland en Groningen" benoemd, inderdaad dus vrijwel meteen nadat Witsen burgemeester was geworden. Een dag later werd hij ingeschreven als poorter. En op 22 januari 1683, vlak voor het aflopen van Witsens eerste ambtstermijn, maakte deze hem "contra boekhouder", een post die Bosboom tot zijn dood zou behouden.

Van Dirk Bosboom zijn maar enkele prenten bekend. Hieronder behoren een aantal illustraties bij het in 1675 uitgegeven ongelukkige reisverhaal van het schip Terschelling. Voor Witsen graveerde hij de titelplaat van het tweede deel van Architectura Navalis (1690).

2. JAN JANSZOON STRUYS (1630 -na 1694). Een bijzonder geval dient zich aan met de avonturier en zeilmaker Jan Janszoon Struys. In 1676 kwam bij Van Someren en Van Meurs zijn boek Drie aanmerkelyke en seer rampspoedige Reysen uit en opmerkelijk en rampzalig waren ze zeker. Lange tijd is men er zelfs van uitgegaan, dat het boek op fantasie berustte.

Het werk was niet alleen aan Witsen opgedragen, maar ook aan Coenraet van Klenck (1628-1691), die in 1675 als buitengewoon gezant was uitgezonden naar de tsaar van Moscovië, Alexis Michailowits. Kennelijk was de zeilmaker een gunsteling van beiden, want hij opent zijn opdracht met:

[109]

De onverdiende gunste, en gemeensame vrientschap, waar mede UEE mijn in verscheydene gelegentheden hebben gelieven te bejegenen, verdienden wel dat ik deselve met waerdige gedachtenisse betaelde; maar also mijn staat noch stant niet toelaten het geheel af te lossen, soo neme ik de vrypostigheyt myne plicht, en verschuldiging te erkennen, met UEE op te dragen het eenigh overschot van mijne langwijlige, sware en rampspoedige Reysen, waarin ik het meeste en beste gedeelte van mijn leven versleten hebbende.

Struys derde en laatste reis duurde vijf jaar, van 1668 tot 1673, en ging over Letland, Moskovië, Tartarije, Perzië en Oost-Indië. Struys, die getrouwd was, kinderen had en in Durgerdam woonde, vertelt hoe in 1668 hem na tien jaar thuiszitten wederom "de oren jeukten" en "het hart van honk trok". Toen hij vernam dat in Amsterdam Russische gevolmachtigden bezig waren volk te werven voor de tsaar om via de Kaspische Zee naar Perzie te varen, en dat bovendien de betalingsvoorwaarden gunstig waren, had hij niet lang gedraald en zich verhuurd als opperzeilmaker in dienst van de tsaar - in het geheel niet bevroedend welke toekomst hij tegemoet ging. Hij vertelt ook wat zijn loon was: 57 gulden per maand, 15 gulden kostgeld inbegrepen.

Wat de dedicatiebrief aan Witsen en Klenck nu zo opmerkelijk maakt, is dat Struys hierin zegt nog geld tegoed te hebben voor zijn diensten aan de tsaar en dat hij op hun beider hulp hoopt om dit te krijgen:

op hope dat mijn een beter lot noch een kooltjen sal doen vinden onder de assche, daar ik het vuur verlooren hebbe, te weten, de afterstallen van mijne diensten aan Sijne Doorluchtighste Czarsche Majesteyt van Ruslandt. Ten welken eynde, Edele Heeren, ik my verstoute UEE te versoeken, de gunstige recommandatie, en behulpzame handt te verleenen, om mijn ooghwit dies aangaande, tot onderhoudt van mijn Huysgesin, te bereiken.

Het zal wel vergeefse moeite zijn geweest, maar Struys’ boek had tenminste veel succes. Het gedeelte over zijn belevenissen in Rusland met de Kozakkenleider Stenka Rasin werd later zelfs in opdracht van tsaar Peter de Grote vertaald. In De Boekzaal van Europe roemde Pieter Rabus hem in 1694 als "den alom beruchten reiziger".

Over wat zijn relatie was tot Witsen kan men slechts speculeren. Wellicht had Witsen hem gevraagd aan- en aftekeningen te maken van wat hij onderweg tegenkwam, want het boek is niet alleen een relaas van zijn avonturen, maar ook een schets van het land, de zeden en gewoonten, enz. Daarnaast hield Struys zich kennelijk ook met karteren bezig, gelet op zijn paskaart van de Kaspische Zee. Met het oog op Witsens eigen onderzoekingen is het denkbaar, dat Witsen zich na Struys’ laatste reis met de uitgave en bewerking van het boek bij

[110]

Jacob van Meurs, de bekende uitgever van land- en volkenkundige werken, heeft bemoeid. Vele jaren later, in 1704, zou hij dit immers ook doen met het boek van de Russische gezant Eberhard Ysbrants Ides. Dat Witsen de observaties van de zeilmaker hogelijk waardeerde, blijkt wel uit zijn boek Architectura Navalis (1690). Daarin schrijft hij: "Zekeren Jan Jansz. Struis geeft voor, Scheepen te konnen maken dat 'er geen water in komt, en die zeer zelden lek zullen worden", waarna Witsen zijn vinding breedvoerig openbaar maakte.

3. PIETER VERDUIN. Er zullen heel wat mensen met uitvindingen bij Witsen aan de deur verschenen zijn. De schilder Jan de Bray met zijn idee over de opslag van zoet water voor de stad Amsterdam is al genoemd. De gezworen meesterchirurgijn Pieter Adriaensz Verduin vond een nieuwe methode om ledematen te amputeren uit. Het tijdstip voor publikatie, in 1696, kon niet beter gekozen zijn, meende hij, nu er zoveel mensen hun benen verloren in de oorlog "si fatale à tous les chrétiens".

Het rijkelijk geïllustreerde werkje, dat eerst in het Latijn verscheen en het jaar daarop (1697) in het Frans als Nouvelle methode pour amputer les membres, is eigenaardig in die zin, dat het één lange brief aan Witsen vormt waarin Verduin zijn werkwijze verklaart. Hij schrijft ook, dat Witsen ernaar had gekeken en de methode goedgekeurd, en hem, zoals ook verschillende andere geleerden hadden gedaan, geadviseerd het openbaar te maken. De vertaling in het Frans was van de hand van de meester-chirurgijn Joseph Vergniol, een Franse réfugié. Deze beval de methode in de "Preface du Traducteur" ten sterkste aan, aangezien meester Verduin bij hem op dezelfde wijze met succes het linkerbeen had afgezet.

4. HENDRIK NIEUHOF. Een beproefd argument om van een invloedrijke figuur als Witsen iets gedaan te krijgen, was hem erop wijzen dat een overleden familielid reeds gunsten van hem ontvangen had. Hendrik Nieuhof, burgemeesterszoon uit het Duitse plaatsje Uelsen, later in Amsterdam gevestigd als portretschilder en handelaar in baksteen, was daar in zijn dedicatie onomwonden in. Hij was de tekstbezorger van de geschriften van zijn broer Joan die in 1672 in Madagascar verdwenen was bij de "Moordenaarsbaai". In zijn tijd was Joan Nieuhof de meest toonaangevende schrijver over China.

Hendrik motiveert in 1682 zijn verzoek om Joans tweede boek Brasiliaense Zee- en Lantreize te beschermen met de woorden:

Grotelix vond ik ook my daer toe verplicht, door d'eere en vriendschap: waer mede Uw Ed. Grootachtb. den Schrijver en de zijnen al over lang heeft believen te begunstigen: welker werking in welgeboorne zielen ook met de dood niet sterffelijk is.

Maar Witsen had ook steeds zijn interesse in "de stof van het werk" laten blijken en er zijn "naaukeurig en bezadigt oordeel" over gegeven.

[111]

De goede relatie met "de Schrijver en de zijnen" was een kwart eeuw eerder met Joans China-reis ontstaan. Als hofmeester van de VOC-ambassade naar Peking had hij in 1655 de speciale instructie gekregen om alle "steeden, dorpen, paleysen, rivieren, vasticheeden ende andre marckweerdige gebouwen" die hij passeren mocht "in haar rechte forme ende gestaltenisse" af te beelden. Ter plekke was Nieuhof toen ook getuige van de historische overwinning van de Tartaren, waarmee een einde werd gemaakt aan het tweeduizendjarig bewind van de Ming-dynastie.

Bij thuiskomst in 1658 had hij zijn notities en aantekeningen aan zijn broer toevertrouwd. Na drie maanden was hij alweer op weg getogen, "inzonderheit door de gelegenheit, die mij toen d'Ed. Heeren Bewinthebbers deden opdragen, en aenbieden". Tot zijn dood is Joan daarna buitenslands gebleven. Het was dan ook Hendrik aan wie het uiteindelijke resultaat in 1665 te danken was, een uitvoerige studie van China, voorzien van veel plaatwerk, dat ook nog tekst en uitleg gaf van de laatste gebeurtenissen. Hendrik droeg het werk op aan Hendrik Spiegel en Cornelis Witsen (Nicolaes’ vader), bewindhebbers van respectievelijk de Oost- en West-Indische Compagnie, voor welke maatschappijen Joan beide gevaren had. De dedicatie valt op door Hendriks zwierige pen en is alles behalve nederig. Het doel was eenvoudig "om mij daar door in haare Edele goede gunst en genegentheydt (indien my die eere gebeuren magh) te wikkelen". En met succes, zo verneemt men uit de dedicatie van het andere, 17 jaar later verschenen boek over Brazilië. De schrijver Joan en zijn familie waren met "eer en vriendschap" begunstigd. Nu Cornelis’ zoon Nicolaes tot burgemeester was verkozen, meende Hendrik er goed aan te doen hem met een opdracht opnieuw aan hun oude banden te herinneren en met dit boek de goede relatie nog eens te bevestigen.

In Nicolaes Witsens Scheepsbouw (1671) ziet men verschillende van Nieuhofs tekeningen van Chinese scheepjes terug.

5. De gebroeders JEAN en PHILIPPE LAGRUE schrijven, dat zij hun vader Thomas aan het sterfbed hebben moeten beloven dat zij het Frans-Nederlandse woordenboek, waaraan hij zo lang en met zoveel moeite had gewerkt, aan Nicolaes Witsen zouden opdragen "pour ne pas mourir insensible & ingrat aux affections, que vostre illustre personne luy a tousjours témoigné", aldus zijn zoons in 1682. Twaalf jaar later verscheen een nieuwe herziene uitgave van de hand van één van hen, Philippe, welke hij ook weer aan Witsen opdroeg - nu vanwege

[112]

"La Génerosité avec laquelle vous le récûtes, fait que je prens encore la hardiesse de vous en offrir une nouvelle édition".

6. ANTONI JANSEN. De vader van de gevierde dichter Johannes Antonides van der Goes, Antoni Jansen - in dichterskringen zelf ook geen onbekende -, herinnert Witsen in zijn dedicatie bij zijn zoons postuum uitgegeven Gedichten (1685) aan het lofdicht dat Antonides in 1671 voor Scheepsbouw en Bestier schreef:

dewyle die [= Witsen] niet alleen als een uitmuntend beminnaer van alle eedle kunsten en weetenschappen, en in't byzonder der Poëzy; maer ook voor een beschermer der zelven is vermaert; en by my ook alzoo bevonden, door het welgevallen, van Uwe Ed:Gr:Achtbaerheit met eigen hand betoont, over zeker gedicht van mijn zoon, hetzelve plaets vergunnende in het boek by Uwe Ed:Gr:Achtbaerheyt van der Ouden en hedendaegschen Scheepsbouw, met naukeurig onderzoek, in't licht gebracht".

Antonides zal hiervoor met passende vriendschapsblijken zijn bedacht. Nu Witsen burgemeester was, betekende dit een uitgelezen moment om met de gedichten aan te komen. Hoewel de vader het sierlijker formuleerde: door zijn werken aan hem op te mogen dragen, verklaarde deze, "zal ik mij over mijn zoons afsterven ten deelen troosten".

Geleerden: connecties en introducties.

Van Nicolaes Witsen zijn twee correspondenties met in Nederland woonachtige geleerden bewaard gebleven, namelijk met Gijsbert Cuper (1644-1716) en met Antonius Matthaeus (1635-1710). Beiden waren - onder meer - oudheidkundigen. Van deze twee pennevrienden bezat Witsen al het werk in zijn bibliotheek. De briefwisseling met Cuper was het meest intensief en langdurig, van ca. 1685 tot Cupers dood in 1716, niet het minst door de toewijding van de laatste. Die met Matthaeus bestreek minstens 11 jaren, van 1693 tot na 1704, maar alleen de 20 brieven van Witsens hand zijn bewaard gebleven. Ofschoon de eerst bekende brief van Witsen naar Matthaeus van 1693 dateert, blijkt uit de inhoud dat de correspondentie al eerder moet zijn aangevangen. Bij beiden gingen de brieven op een enkele uitzondering na geheel over geleerde zaken. De meest opmerkelijke gemeenschappelijke eigenschap is de afhankelijke positie van de twee heren tegenover Witsen, omdat Witsen hun toegang kon verschaffen tot anders onbereikbare informatie. Hoewel Cuper het briefschrijven als een liefhebberij zag en zijn belangstelling tenslotte geheel omboog naar Witsens land- en volkenkundige studies, was zijn nieuwsgierigheid navenant: in de regel bestonden Witsens brieven dan ook hoofdzakelijk uit de beantwoording van Cupers vragen.

Witsens brieven naar Matthaeus daarentegen stonden geheel in het teken van het onderzoek en de eventuele wensen van deze kennelijk hoog bij hem aangeschreven Leidse professor. Zo

[113]

noteerde Witsen op bezoek bij anderen altijd vlijtig welke manuscripten zij in hun bibliotheek verborgen hielden, opdat Matthaeus daar profijt van zou kunnen trekken. Hij bezorgde hem introductiebrieven en betoonde zich ook zeer gul in het uitlenen van zijn eigen middeleeuwse codices en manuscripten. Ook bezocht hij hem een enkele maal aan huis. Matthaeus beloonde Witsen voor al deze weldaden door hem, zodra er een boek van zijn hand verscheen, dat aan Witsen present te doen, maar hij bedankte hem ook verschillende malen met een opdracht: twee aan hem persoonlijk (in 1695 en 1704) en één aan hem tezamen met de andere burgemeesters (in 1696). Maar de wederzijdse begunstiging strekte zich ook buiten de Republiek der Letteren uit. In 1697 bezorgde Witsen Matthaeus’ neefje een post als klerk bij de Oost-Indische Compagnie, terwijl Matthaeus op zijn beurt voor Witsens neef diens dissertatie en titel in de rechten bezorgde. Veel later, in 1715, hielp Witsen ook Cupers kleinkind voort als assistent naar Oost-Indië.

Van twee andere boeken die door geleerden aan Witsen zijn opgedragen, blijkt juist de inhoud uit brieven te bestaan. Het zijn de Uitgelezen brieven van voortreffelijke mannen bijeen vergaard door Johan van Meel en de postume reisbrieven van Jacobus Tollius. Beide werken verschenen in 1700 in het Latijn bij François Halma. Van Meel was secretaris bij de West-Indische Compagnie. In de dedicatie verzoekt hij Witsen hem gunstig gezind te blijven. Van Meel was bovendien een groot liefhebber van de letteren. Op 25 februari 1711 bezocht de bibliofiel Zacharias von Uffenbach hem in zijn bibliotheek van 3 tot 4000 boeken, en die verklaarde, dat hij nergens zo’n indrukwekkende collectie brieven had gezien. In zijn dedicatie schrijft Van Meel over de door hem gemaakte selectie hieruit, dat hij meende met een uitgave deze epistolaire monumenten "uit de schipbreuk van de vergetelheid en de schade door boekwurm en mot" te moeten redden; zo zouden "de Hugo-de-Groten onder die opvallende mannen van de vorige eeuw" in dit boek tenminste stand houden.

Het boek van Tollius (1633-1696) daarentegen betreft diens eigen reisbrieven. De eerste, tamelijk lange brief daarin (van begin 1687) was aan Witsen gericht. Naast medicus was Tollius ook oudheidkundige, consul in Algiers en professor te Duisburg. Na zijn bekering tot het katholicisme vertrok hij naar het buitenland, waar hij lange tijd rondzwierf. Kennelijk vond hij

[114]

ook daar zijn geluk niet, want hij stierf in diepe armoede te Utrecht. Op zijn reizen noteerde hij alles wat hij aan bijzonders tegenkwam, observaties die hij ook zijn vrienden thuis niet wenste te onthouden. Hiervan verschenen uiteindelijk twee bundels, beide bij François Halma. De eerste bundel, getiteld Iter Italicum uit 1694, opent met een lange brief aan Witsen en wel van 34 jaren terug, namelijk van juli 1660. De andere bundel, Epistolae Itinerariae, verscheen postuum in 1700, bewerkt door zijn neef Heinrich Christian [von] Hennin. Deze had ze geordend en gepolijst en van aantekeningen voorzien.

Ook Hennin was medicus, oudheidkundige en hoogleraar, beurtelings te Duisburg, Utrecht en weer opnieuw in Duisburg, de laatste maal als rector magnificus. Daarnaast was hij net als Tollius een correspondent van Witsen. Hennin had diverse redenen om dit werk aan Witsen op te dragen. In zijn dedicatie schreef hij dat Tollius van jongs af aan veel aan Witsen verschuldigd was geweest en dat hij in hem steeds "een vriend, een begunstiger en een mecenas" had getroffen. Maar uit andere bron begrijpen we dat Hennin vooral zijn eigen belang op het oog had. Hennin hoopte namelijk op Witsens hulp bij de verbetering van zijn positie. Op 3 januari 1701 schreef hij hem tenminste een (Latijnse) brief, vermoedelijk de nog enig bewaarde uit hun correspondentie, waarin hij zich uitvoerig over zijn werksituatie in Duisburg beklaagde. Als nieuwjaarswens bad hij Witsen "dat God U welwillendheid jegens mij geve, waarmee U mij uit deze gevaarlijke slavernij kunt halen en mij weer tot Bataafs burger maken". Om meer recht van spreken te hebben, verkondigde hij dat hij "eergisteren" eindelijk met de Latijnse vertaling van Witsens boek Noord en Oost Tartarye had kunnen beginnen, het voorwoord was voltooid. Dat hij daarmee pas zo laat was aangevangen, lag aan zijn enorme werkdruk, te wijten aan onderbetaling waardoor hij privélessen moest geven, alsmede aan zijn dubbele werkkring. Maar al deze drukmiddelen ten spijt stierf Hennin twee jaar later - in Duisburg.

Het zou te ver voeren hier al Witsens contacten te schetsen met geleerden die baat bij hem zochten of die op een of andere wijze dank aan hem verschuldigd waren en dit via een dedicatie naar voren brachten, zoals: de Berlijnse bibliothecaris Andreas Müller (1680), de bibliograaf Cornelis van Beughem uit Emmerik (1688), de in Leiden rechten docerende hoogleraar Gerard Noodt (1698), de in Amsterdam verblijf houdende medicus Pierre Régis (1698/1700) en de Utrechtse oriëntalist Adriaan Reland (met een ongedateerde kaart van Perzië). Hier volstaat de constatering, dat Witsen het liefst in hun gezelschap verkeerde en zich met hun dedicaties het meest vereerd voelde. Alleen zal op deze plaats nog in het kort Witsens

[115]

relatie met Olfert Dapper beschreven worden. Dapper kwam immers al vroeg bij de familie Witsen aan huis, hij was de eerste die aan Witsen een werk opdroeg, en voorts legde Dapper als enige schrijver van een omvangrijk oeuvre een zekere trouw bij Witsen met zijn dedicaties aan de dag.

OLFERT DAPPER (1636-1689). Vergeleken met andere auteurs onderhield Witsen met Dr. Olfert Dapper een bijzonder vriendschappelijk contact. In de loop van zijn niet al te lange leven zette deze geleerde medicus een hele serie land-en volkenkundige werken op zijn naam, wellicht met de opzet ooit tot geografische volledigheid van de Oude Wereld te geraken. Hiervan droeg hij er drie aan Nicolaes Witsen op. Ook het vroegst aan Witsen gedediceerde boek - uit 1663 - stamde van Dapper. Het handelde over de groeiwijze van planten. Witsen studeerde toen rechten in Leiden, maar zijn eigenlijke interesses gingen toen een heel andere richting uit, zoals ook de studiekeuze van zijn - uitzonderlijk begaafde - vriendenkring laat geloven: Jan Swammerdam en de Deen Nicolaas Steno zouden tien jaar later respektievelijk als entomoloog en geoloog tot de beroemdste geleerden van hun tijd behoren, terwijl Witsens neef Johannes Hudde en Burchard de Volder zich tot briljante wiskundigen ontwikkelden.

Het in 1663 door Dapper aan Witsen opgedragen boekje (in 12o) was een Latijnse vertaling van een geschrift van de toen gevierde Engelse arts Kenelm Digby. Zowel de aanhef als de inhoud van de dedicatie vertellen veel over beider relatie. De opdracht was gericht "aan de weledele en geleerde jonge Heer Nicolaas Witsen, zoon van de hooggeleerde en hooggeachte oud-burgemeester en thesaurier van de stad Amsterdam". Dapper stelt zich in deze en andere dedicaties op als een ware mentor. Kennelijk had Witsen zijn nieuwsgierigheid naar de inhoud van het werkje niet onder stoelen of banken gestoken, aangezien Dapper met de vertaling aan kwam zetten omdat zijn vriend het Engels niet machtig was. Er waren evenwel meer redenen om deze vertaling te maken, schreef Dapper, namelijk om eer aan de stad Amsterdam te bewijzen en ook hoopte hij met dit belangrijke boekje een plaatsje tussen de monumenten van zijn vaders boekenkast te verwerven.

Dapper was in deze boekenkast goed thuis. In datzelfde jaar 1663 verscheen van hem ook de Beschrijving van Amsterdam, die hij aan Cornelis Witsen, de vader, had opgedragen. Daarin beschreef hij hoe hij door diens oude documenten en handschriften tot dit werk was geïnspireerd geraakt en hoe zijn zoons hem steeds de vrije beschikking over de inhoud van diens papieren hadden gegeven (in tegenstelling tot andere voorname personen in de stad) en hem ook op andere manieren alle hulp en bijstand hadden geboden.

Twee jaar later, in 1665, droeg Dapper opnieuw een vertaling aan zijn vriend op, nu uit het Grieks, een taal die Witsen evenmin beheerste: Herodoot van Halikarnassus negen boeken der Historien, gezegt de Musen. Met dit "gering geschenk" groette hij Witsen en heette hij hem

[116]

[---]

Afb. 2. Wapen van Cornelis en Nicolaes Witsen in werk van Olfert Dapper (1663) en Joan Nieuhof (1666 en 1681), uitgegeven door Jacob van Meurs.

(Foto: Ferry André de la Porte)

welkom bij zijn terugkeer van zijn gezantschapsreis aan de tsaar van Moskou (van september 1664 tot augustus 1665). Dappers dedicatie is niet alleen lang, tien bladzijden, omdat hij ondertussen ook een samenvatting van de inhoud gaf, maar treft tevens door zijn nadrukkelijke aanprijzing van de educatieve waarde van het werk: "Ghij zult daerin wonderlijke en zeltzame veranderingen van Staten, vele diepzinnige Spreuken, nutte Staetkundige lessen, wijze vermaningen, zedenstichtende exempelen, en schrandere raetslage, waer in dees Schrijver zonderling uitmunt, in grooten overvloet vinden". Waarna Dapper elk van de negen boeken nog eens apart beschouwde vanuit het oogpunt van nut en van vermaak.

Daarna, vanaf 1668 tot 1688, hield Dapper zich alleen nog bezig met geografische studies. Wellicht omdat Witsen toen op zijn "Groote Tour" was, misschien ook om andere redenen, maar in het boek over de Noord-Afrikaanse gewesten, de eerste van de reeks, ontbreekt een opdracht. Nadien benaderde Dapper ook andere magistraten: de raadpensionaris Johan de Witt (1670), zijn broer Kornelis de Witt (1672) en Johannes Hudde (1680). Aan Witsen droeg hij

[117]

pas weer een boek op in 1678, en tien jaar later, in 1688, zelfs twee. Dat waren tegelijk ook Dappers laatste werken, want in de winter van 1689 stierf hij.

Uitgevers, schrijvers, dichters en vertalers.

Met de boekhandel onderhield Witsen al vroeg nauwe betrekkingen. Hij had daar alle reden voor, zoals zijn eigen geografische interesses, zijn positie in de stedelijke regering, maar ook zijn vriendschap met Peter de Grote en zijn daaruit voortvloeiende rol als bemiddelaar in Russische zaken. Maar hoe Witsens contact met uitgevers, boekdrukkers, illustratoren en handelaars nu precies verliep, vergt een afzonderlijk onderzoek. Met het voorbeeld van Halma (1704) is slechts een klein tipje van de sluier opgelicht. Uitgevers en boekverkopers als Samuel Imbrechts (1666), Johan van Keulen (1682), Johannes Ribbius (1689), Paul Marret (1695), Jan ten Hoorn (1703) en Pieter Mortier (1704) droegen eveneens boeken aan hem op, zo ook Carel Allard, Gerard Valk en Pieter Schenck met kaarten en prenten. Met elkaar hadden zij gemeen, dat geen van hen zijn kruit aan slechts één persoon afzonderlijk wenste te verschieten: het aantal heren aan wie zij hun boeken wisten op te dragen, blijkt aanzienlijk. Dezelfde praktische gedachte leefde ook met betrekking tot dedicaties op kaarten en prenten: men zocht er eenvoudigweg de meest geschikte persoon voor. Dat al deze door uitgevers aan Witsen opgedragen boeken historische werken waren, is dan ook geen toeval: het was algemeen bekend dat geschiedenis het terrein van Witsens interesse was. Destijds viel daaronder ook de geografie met haar reisbeschrijvingen en land- en volkenkundige werken. Een derde deel van Witsens boekenkast blijkt met dergelijke geschriften gevuld te zijn geweest.

Samuel Imbrechts, Jan ten Hoorn en Pieter Mortier hielden hun dedicaties kort en bondig; de Hugenoot Paul Marret is uitvoeriger, maar ook hij deelde niet anders dan de bekende frasen mee. Illustratief voor de mentaliteit is wellicht Johannes van Keulens 5-delige uitgave van Claas Jansz. Vooghts paskaartenboek De Nieuwe groote lichtende Zeefakkel (1682-’84). Elk deel blijkt aan een ander gezaghebbend persoon opgedragen, waarbij dient opgemerkt dat het allemaal "vrunden" waren van dezelfde leidende politieke faktie. Dat waren behalve Witsen: Cornelis Tromp, Koenraad van Beuningen, Jacob Boreel en Johannes Hudde. Een enkele kaart voert nog een afzonderlijke dedicatie.

Samuel Imbrechts en Johannes Ribbius benaderden Witsen het meest persoonlijk. De opdracht van Imbrechts is hier speciaal interessant, omdat deze van 1666 was, een tijdstip dat Witsen nog niet zolang terug was van zijn Russische gezantschapsreis. Kennelijk had hij Imbrechts vanuit Moscovië een brief gestuurd, waarin hij zijn "welstandt en groetenisse" had meegedeeld. Om het boek aan de jonge Witsen op te dragen voelde Imbrechts zich temeer aangespoord, "om dat my niet onbewust was dat U E. oyt en altoos in de Wis-konst en aanhangselen van dien zeer groot behagen gehadt hebt".

[118]

Johannes Ribbius verklaart als reden voor zijn opdracht, dat hij "'t geluck [had] genooten, van verwaerdigt te werden, om te mogen verschijnen in U Wel Edelheyts tegenwoordigheyd", en dankt Witsen voor de "gantsch onverdiende vriendschap" aan hem betoont. Hij schrijft ook dat dit zijn laatste boek was dat hij zou uitgeven: "Vermits ik de moeyelijke en de altijd my in besigheyd gehouden hebbende Boekhandelingh heb ter neder gelegt, om't overige mijnes levens met dies te meer gerustheyd Gode toe te eygenen".

PETER SCHENCK (1660-1713). Dat ook de reislustige en ondernemende prentuitgever en plaatsnijder Peter Schenck van Elberfeld Witsens pad kruiste, was haast onvermijdelijk. Schenck was een leerling van Gerard Valk, later werd hij ook zijn partner en zwager. Beiden waren uitgevers van grote prentfondsen, die zich daarnaast toelegden op zwarte kunstgrafiek. Om hun prenten van een passend rijmpje in het Latijn of Nederlands te voorzien, maakten zij gebruik van Ludolf Smids (1649-1720), in het dagelijkse leven ook medicus en oudheidkundige. Schenck portretteerde hem verscheidene malen. Smids wist al eerder Witsens aandacht te krijgen door in 1694 en 1695 werk van hem op te dragen.

Schenck wist aan verbazend veel verschillende hoge heren zijn prenten of series van prenten op te dragen, hoewel hij zich wat de Amsterdamse burgemeesters betreft beperkt heeft tot Koenraad van Beuningen, Johannes Hudde en Nicolaes Witsen. Gedurende de jaren 1700-1713 hield Schenck er ook een soort "album amicorum" op na. Onder de schrijvers bevonden zich heel wat goede bekenden van Witsen: de Russische vlootbouwer Cornelis Cruys, de vestingbouwer Menno van Coehoorn, de buurman van zijn ouderlijk huis Jacob de Wilde, befaamd om zijn muntenverzameling, de oriëntalist Adriaan Reland, de kunstenares Maria Sybilla Merian, enz. In 1702 schreef Witsen er zelf ook een vriendelijk krabbeltje in.

Gedurende een bepaalde periode moet Witsen meer intensief contact met Schenck onderhouden hebben. Schenck mocht bijvoorbeeld Witsens lang gekoesterde kaart van Azië opnieuw - met privilege - uitgeven. In 1701 schilderde Schenck bovendien zijn portret, later

[119]

gevolgd door een portret in zwarte kunst: een dreigend blikkende Witsen vanonder een reusachtige krulpruik. Uit dezelfde tijd stammen van zijn hand bovendien nog twee andere gegraveerde portretten van Witsen met een minder streng voorkomen.

Onder het uitgebreide gezelschap van door Schenck geportretteerden bevonden zich overigens ook Peter de Grotes zoon Alexius Petrowitsch, Peters Zwitserse vriend François Lefort (1698) en de Rus Fjodor Aleksejewich Golowin (1706), één van Witsens belangrijkste contactpersonen in Moskou.

Schencks relatie met Witsen verschafte hem bovendien de gelegenheid verschillende prenten aan hem op te dragen. Bekend zijn een gezicht op het stadhuis en twee in nood verkerende schepen. De laatste was een uitvergroting van een prent van Ludolf Backhuysen die de schilder maakte naar zijn eigen schilderij.

*

Een aantal dichters en toneelschrijvers schijnen in meer vriendschappelijke zin in Witsens omgeving verkeerd te hebben, als eigen vrienden, als vrienden van familieleden, of als vrienden van elkaar. De meesten van hen waren bij het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum aangesloten. Dat waren de schouwburgregenten Mr. Willem Blaeu en Mr. Adriaan Pels (1668), die Witsen een vertaling opdroegen van een politiek zinnespel; Jan Neuye (1669) met een politiek treurspel; de medicus Johannes Antonides van der Goes, en de eerder genoemde geleerde arts Ludolf Smids. Van het vele werk dat deze laatste produceerde - en binnen zijn kennissenkring dediceerde - droeg hij aan Nicolaes Witsen zijn verzamelde gedichten en een emblematisch werk in het Latijn op.

Voor de oude, reeds met één been in het graf staande broodschrijver Lambert vanden Bosch, die gedurende zijn produktieve leven veel uiteenlopende dames en heren met opdrachten van zijn genegenheid wist te verzekeren, was Witsen de laatste schutspatroon voor zijn compilatiewerk Treurtooneel der doorluchtige Mannen.

De apotheker Herman Angelkot was in 1715 met het treurspel Cato voor zover bekend de laatste persoon die werk aan Witsen opdroeg. Ook hij was lid van het kunstgenootschap. Het 12-regelig dedicatiedicht excelleert door zijn nietszeggendheid. Van een eventuele relatie, zelfs in de ondertekening, valt niets op te maken.

[120]

Het voorbeeld van KORNELIS SWEERTS (1669-1742) laat zien, hoe iemand die een grotere boekproduktie had, bij het vergeven van dedicaties te werk kon gaan. Sweerts dediceerde niet alleen een groot deel van zijn werk aan stadsbestuurders, maar zij behoorden bovendien tot één en dezelfde - leidende - familie, de Witsens in dit geval. Sweerts was de zoon van de uitgever-dichter Hieronymus Sweerts. Hij was zelf ook uitgever en dichter, maar liefhebberde tevens in muziek en schilderkunst.

In 1697 droeg Sweerts een mengelwerk op aan de stadssecretaris Joan Hees. Via zijn halfbroer, die getrouwd was met een Hochepied - de geslachtsnaam van Nicolaes Witsens vrouw -, was deze aan de Witsens geparenteerd; maar ook was Hees’ oom Thomas een oude vriend van de burgemeester. Met het moralistische Tafereel der Deugden en Ondeugden klopte Sweerts in 1703 bij de pater familias aan. Te oordelen naar de dedicatiebrief, die kort en onpersoonlijk was, kende hij Nicolaes Witsen niet privé. Een jaar later wist Sweerts zijn neef en opvoedeling Jonas II voor een verzamelbundel te strikken - eveneens een stadssecretaris. Met het negen coupletten lange dedicatiedicht blijkt echter vooral de lof over zijn illustere oom te worden gezongen. En ten slotte vereerde Sweerts in het jaar 1708 nog eens de schepen Kornelis Kalkoen met een dedicatie. Ook in dit gedicht lonkt hij weer naar mogelijke toekomstige relaties, want Kalkoens "Wakkere Zoonen" met hun kennelijk hoge stedelijke posities nemen er een prominent aandeel in; over Kalkoens schoonmoeder Petronella Witsen geen woord.

Alleen Sweerts Zinryke Dicht-kunst (1712) was - wellicht door de politieke verandering - gewijd aan iemand buiten dit familiecircuit. We zijn hem al eerder tegen gekomen, zijn naam is Ludolf Smids. Jaren terug had de bescherming van de burgemeester zich ook over verschillende van zijn literaire produkten uitgestrekt; geheel vreemd aan dit gezelschap was hij dus niet. Sweerts droeg Smids zijn werk op "uit schuldige eerbiedigheit", dat hij ondertekende met "zijnen Dienstwilligen Vrient".

Kort gezegd illustreert bovenstaand overzicht twee zaken, namelijk ten eerste het belang dat mensen bij een hecht patronagenetwerk hadden, en ten tweede hoe sommigen daarbij met zorgvuldigheid en beleid te werk konden gaan. Voor iemand als Sweerts waren boekopdrachten een uitgelezen middel om dit doel te bereiken: het paaien van een welgestelde

[121]

en invloedrijke familiekliek. Met dit interessante gegeven als uitgangspunt zal verder onderzoek moeten uitwijzen welk effekt zijn handelwijze op zijn maatschappelijk functioneren had, alsook in welke kringen Kornelis Sweerts nu daadwerkelijk verkeerde, .

Dissertaties: bevestiging van de vriendschap.

Dedicaties in proefschriften behoren tot een aparte categorie. Zij kenden een geheel eigen opzet. In de regel waren ze kort, vaak niet langer dan één zin. Daarnaast viel de eer doorgaans aan meer mensen te beurt, zoals vaders, broers, ooms, leermeesters, vrienden en begunstigers, die allemaal - buiten directe bloedverwanten als vaders en broers om - ook naast elkaar met de titel "mijn patroon" of iets van die strekking aangesproken konden worden. Een vrouw hoorde nooit tot de gelukkigen. In zwang waren ook teksten als "Soli Deo Gloria" (alleen aan God de eer), "Deo et Proximo", "Deo Patriae Parenti", "Deo T.O.M. Patriae, Praecertoribus, Patronis et Fautoribus" en alle mogelijke andere varianten daarop, zonder dat daarbij één naam genoemd werd. Waar anderzijds weer bladzijden lange lijsten met goedgunstigen tegenover stonden. Er kwamen ook dissertaties zonder opdracht voor, maar dit was eerder een uitzondering. Afhankelijk van de vriendenkring van de promovendus deed men wel aan lofdichten, maar men plaatste die niet voor maar achter het werkstuk. Zij hoefden ook niet per se in het Latijn gesteld te zijn.

Vanzelf werd Witsen ook door promovendi met een dedicatie bedacht, onder wie Jan Bemden (1684), Gerard Bors van Waveren (1686), Johan Famars (1691), Andries Hees (1692), Balthasar de Leeuw (1692) Jan Hochepied (1693), Abraham Alewyn (1693), Bernard Borghorst (1693), Godard Baucham (1695), Johan Cleyer (1695), Lodewijk van Ommeren (1699), Johan Philip Breyn (1700) en Nicolaas Witsen II (1702).

Er valt uit opdrachten in dissertaties veel te leren omtrent iemands kring van bloedverwanten, vrienden en relaties. Wat was de relatie tussen Witsen met deze 12 nieuwbakken rechtsgeleerden en die ene arts-botanicus Johan Breyn? Zeker 7 van de 13 blijken familieleden van Witsen geweest te zijn. Gerard Bors van Waveren en Nikolaas Witsen II waren bloedverwanten, terwijl Jan van den Bempden, Johan Famars, Andries Hees, Jan Hochepied en Johan Breyn aangetrouwde familieleden waren via zijn echtgenote Catharina

[122]

Hochepied - waarbij de Van Hees' ook weer aan de Bors van Waverens geparenteerd waren. Hier zal alleen wat nader op Witsens volle naar hem vernoemde neef Nikolaas II worden ingegaan , alsmede op Johan Breyn en Jan Cleyer.

Nikolaas Witsen II (1682-1746) blijkt nooit in Leiden gestudeerd te hebben. Dit weten wij van een briefje van zijn oom aan diens vriend Antonius Matthaeus, die daar professor in de rechten was. Witsen schreef hem namelijk op 19 april dat hij zijn neef naar Leiden stuurde om zijn promotie in de rechten te halen, met het verzoek hem daarbij te helpen. Ter verklaring voegde hij er nog aan toe: "hij is reets hier in emploij en eyst de titel alleen ter eere". Dat ook zulke vriendendiensten inherent aan het systeem geworden waren, zal niet meer verbazen. De steeds opnieuw terugkerende titels van de te verdedigen stukken doen evenmin veel goeds vermoeden. Lang hoefde Witsen ook niet te wachten: anderhalve week later, op 28 april, had de neef al zijn bul. Vermoedelijk bestond Matthaeus hulp uit het verstrekken van antwoorden op de 12 door hem bedachte stellingen, welke neef Nikolaas vervolgens uit zijn hoofd moest leren. Witsens wens "ik hoope dat hij bequaem sal zijn" wijst hier stellig op.

De dissertatie van Johan Breyn daarentegen was van een heel andere orde. Hij was iemand die gedreven werd door oprechte interesse. Zijn onderzoek naar onder meer de ginsengwortel berustte deels op materiaal van Witsen en deels op dat van zijn vader. Door Witsens schenking van een aantal van deze wortels uit China en Japan was hij beter in staat geweest zijn waarnemingen te verrichten.

Breyn (1680-1764) was de jongste zoon van de bekende botanicus Jacob Breyn (1637-1697) uit Danzig. (Later werd Johan zelf lid van de London Royal Society en de Berliner Academia Naturae Curiosorum). Deze Jacob Breyn stond in nauw contact met de belangrijkste natuuronderzoekers in de Oost. Andreas Cleyer, een Duitse arts, speelde hierin een centrale rol. Cleyer, de vader van de eerder genoemde promovendus Jan Cleyer, geleerd, machtig en zeer rijk, was als medicus hoofd van de apotheek in Batavia; daarnaast was hij tot driemaal toe opperhoofd in Japan, Raad van Justitie en actief voor het Berlijnse tijdschrift voor natuuronderzoek Ephemerides Naturae Curiosorum (een uitgave van de Academia Naturae Curiosorum). Na zijn laatste verblijf in Japan stuurde Cleyer naar de keurvorst van Brandenburg en naar Witsen respectievelijk 1360 en 739 tekeningen van Japanse planten, terwijl later op zijn bevel zijn tuinman Georg Meister persoonlijk naar Breyn ca. 300 geschilderde Japanse of Indiaanse herbarien kwam brengen. In Noord en Oost Tartarije wordt Cleyer door Witsen als zijn belangrijkste spil in de kennistoevoer uit Oost-Indië bedacht.

[123]

Jan Cleyer, wiens moeder uit Middelburg kwam, was in 1670 geboren in Batavia. Voor zijn opleiding verbleef hij enkele jaren in Nederland. In 1695 promoveerde hij tot meester in de rechten in Utrecht, waarna hij in het begin van 1696 weer als onderkoopman terugging naar Batavia. Interessant zijn naast zijn vader en Nicolaes Witsen de personen aan wie hij nog meer zijn proefschrift opdroeg: de uitgever van geografische werken Pieter Blaeu (1637-1706); de voormalige resident in China Joris Munnick; en de later veeltijds door schotschriften geplaagde advocaat Nicolaas Muys van Holy (1653/4-1717). Cleyer doet zijn best om voor ieder een ander woord voor weldoener te vinden: "Patrono meo" (Witsen), "Praefecto" (Blaeu), "Tutoribus & Patronis meis" (Witsen, Blaeu & Munnick) en "eximio studiorum meorum Fautori" (Muys). Een zekere Godard van Baucham schreef een twaalfregelig Latijns lofdicht op dit werk. Ook Baucham droeg datzelfde jaar 1695 zijn bul aan Witsen op. Hij noemde Witsen daarin "mijn patroon" en "toegewijde vriend"; en dat is tegelijk alles wat we nog van hem weten.

BESLUIT.

In de volksmond heetten begunstigers, patronen of mecenassen ook wel "Christoffels". Dit naar de heilige Christoffel, die reizigers op zijn schouders over een gevaarlijke rivier moest tillen. Daarbij was de rivier een metafoor voor de afgunst of nijd, die de beschermeling, hoog opgetild door zijn reus, niet meer kon deren.

Beschermheerschap kwam men in alle sectoren van de samenleving tegen. Hoewel deze zich op meerdere terreinen tegelijk kon bewegen, treft men ook beschermers aan die alleen een bepaald terrein prefereerden; dat kon dichtkunst zijn, toneel, schilderkunst, muziek, maar ook wetenschap. Witsens voorkeur ging naar de laatste uit. Daarom zullen beroepsvleiers met een lofdicht of -rede bij Witsen aan het verkeerde adres geweest zijn; althans die gevolgtrekking kan men maken als men het geringe aantal aan hem gewijde gedichten bekijkt van hun hand. Ook ten aanzien van de schilderkunst bestaan geen overgeleverde verklaringen, dat Witsen hier zo'n liefhebber van was. Witsens inspanningen spitsten zich vooral toe op zaken tot nut van het algemeen en de partijpolitiek, aandachtsvelden die ook terugkomen in de dedicaties. Onder het eerste punt treft men zonder uitzondering serieuze werken aan op historisch, geografisch, optisch, godsdienstig en taalkundig terrein, terwijl de "partijpolitiek" (hier op te vatten als het

[124]

bevestigen van vriendschappen) vooral zijn weerslag had in de opdrachten van universitaire dissertaties en die van historisch-allegorische toneelstukken.

Omdat er geen vergelijkend onderzoek bestaat naar een particulier met een overeenkomstige status als die van Witsen, is het niet mogelijk om over de relatieve omvang en invloed van Witsens patronage een definitieve uitspraak te doen. Een complicerende factor blijkt bovendien, dat in de Republiek der Letteren beschermheerschap zowel het object als de persoon kon omvatten. In het geval van Cornelis de Bruyn en Arnold Houbraken, die hun werk op eigen kosten hadden doen uitgeven en geen vaste inkomsten kenden, was het een kwestie van de meest betalende wie de uitverkorene werd om als schutspatroon op te treden van, let wel, elk nieuw te verschijnen boek. Dirk Bosboom daarentegen was bijna zijn hele leven cliënt van Witsen. Daarom kwamen zijn boekdedicaties niemand anders dan aan zijn patroon toe.

Voor een regent was het weliswaar een zaak van eer om als schutspatroon op een boek te prijken, maar overwegingen van kwaliteit en belangstelling voor het onderwerp zullen beslissend voor de acceptatie ervan geweest zijn. Hetzelfde geldt voor de betaling. Voor iedere opdracht bestond een "waardering", uitgedrukt in baar geld of geschenken met een bepaalde tegenwaarde, ook al vormde een opdracht een dankbetuiging voor eerder ontvangen gunstbetoon. Afhankelijk van het gezag van de beschermheer kon een auteur naast geld of geschenken ook uit zijn op gunsten in de vorm van diensten. Voor het neefje van zijn geleerde relatie Antonius Matthaeus verzorgde Witsen bijvoorbeeld een klerkenbaantje bij de Oost-Indische Compagnie. Daarom lijkt met het oog op dergelijk soort dienstverlening de populariteit van een magistraat om als patroon voor een boek te worden gevraagd vooral te zijn ingegeven door het gewicht van zijn politieke invloed. Wie het meeste "krediet" had en dientengevolge de beschikking had over een breed assortiment baantjes, zoals een burgemeester met nog tal van nevenfuncties, zal ook de meeste vleiers om zich heen gehad hebben. Uit dit onderzoek naar boekpatronage bij Nicolaes Witsen kwam nog een ander beeld naar voren, namelijk dat personen die meerdere dedicaties te vergeven hadden, als bijvoorbeeld uitgevers en produktieve schrijvers, hun schutspatronen doorgaans kozen uit "de vrienden" van het leidende politieke kamp.

Hoe we over Witsens rol als beschermheer nog mogen denken, ten aanzien van zijn positie is het een veeg teken, dat toen het eruit zag dat hij als burgemeester niet meer op het kussen terecht zou komen en zijn factie bovendien had moeten wijken voor die van de Corvers, zijn naam feitelijk niet meer in een dedicatie voorkwam. Voor de Republiek der Letteren had Nicolaes Witsen als begunstiger afgedaan.

BIJLAGE OPDRACHTEN

op naam van de dedicatieschrijver

BOEKEN AAN WITSEN PERSOONLIJK

Angelkot, Herman (1688-1727); apotheker:

Cato, of de ondergang der Roomsche vryheid; treurspel. Gevolgd naar 't Engels van Mr. Addison. [Geschreven in samenwerking met Pieter Langendijk] Erfgen. van J. Lescailje en Dirk Rank, Amsterdam 1715

[Antonides van der Goes, Joannes (1647-1684); medicus, dichter, zoon van] Ant. Janssens:

Gedichten. Jan Rieuwertsz, Pieter Arentsz en Albert Magnus, Amsterdam 1685

Lofdichters: Katrijne Lescailje, D. Buizero, Petrus Francius, G. Brandt, G.B.: "Aan zijn vader", Joan van Broekhuizen, J. Pluimer, Pieter de la Croix, Bartolomeus van Gent

[cat.nr. 626, 4o (1714)]

N.B. De opdracht is in de tweede druk van 1705 achterwege gelaten.

Beughem, Cornelis van; boekverkoper en schepen te Emmerik:

Bibliographia Mathematica et Artificiosa Novissima. Jansonius en Van Waesberge, Amsterdam 1688

[cat.nr. 65, 12o]

Blaeu, Mr. Willem (1635 -na 1711); advocaat, uitgever, vertaler:

Tieranny van Eigenbaat in het Eiland van Vryekeur. Albert Magnus, Amsterdam 1679

N.B. Zinnespel van het dichtgenootschap Nil Volentibus Arduum. Herdr. in 1680 bij dez.; bij erven J. Lescaille 1705, 1705, 1706; Jacob van Zaan 1728 - steeds met dezelfde opdracht. Blaeu maakte met A. Pels een vrije bewerking van de tekst uit het Italiaans naar Francesco Sbarra's La Moda van 1652.

Bosboom, Dirk (1648-1707); boekhouder, tekenaar, wiskundige:

Perspectiva of Doorzicht-kunde. Pieter Rotterdam, Amsterdam 1703

Lofdicht: S. Schijnvoet

[cat.nr. 600, 4° ]

--, Verhandeling der algemeene Bouw-order. Francois Halma, Amsterdam 1705

Lofdicht: F. Halma

[cat.nr. 726, 8o: Franse band]

Bosch, Lambert van den (?1610-?1698); broodschrijver:

Treurtooneel der doorluchtige mannen. Amsterdam 1652/1650; 1698

[cat.nr. 656/657, 8o]

Croese, Gerard (1642-1710); predikant:

Historia Quakeriana, libri III. H. & de wed. T. Boom, Amsterdam 1695

Lofdicht: Adr. Reland

[cat.nr. 49, 8o]

--, The General History of the Quakers. John Dunton, Londen 1696

Lofdicht: Adr. Reland (Latijn)

[cat.nr. 252, 8° ]

Dapper, Olfert (1636/7-1689); medicus, schrijver:

[vert.] Kenelmus Dygbaeus, Dissertatio de plantarum vegetatione. Jod. Pluymert, Amsterdam 1663

--, [vert.] Herodoot van Halikarnassus Negen Boeken der Historien, Gezegt de Musen. Hieronymus Sweerts, Amsterdam 1665

--, Naukeurige Beschryving van gantsch Syrie, en Palestyn. Jacob van Meurs, Amsterdam 1677/8

--, Naukeurige Beschryving der Eilanden in de Archipel der Middelantsche Zee en ontrent dezelve gelegen. Wolfgangh, Waesbergen, Boom, Someren en Goethals, Amsterdam 1688

[cat.nr. 412, Fo: groot papier Franse band]

--, Naukeurige Beschryving van Morea. Wolfgang, Waesbergen, Boom, Someren en Goethals, Amsterdam 1688

[cat.nr. 411, Fo: groot papier, Franse band]

N.B.: In 1663 droeg Dapper zijn Historische Beschrijving der Stadt Amsterdam op aan Witsens vader Kornelis [met familiewapen "Durate"; cat.nr. 388, Fo: groot papier, Turks leren vergulde band; nr. 389, Fo: klein papier]

Ghijsen, Hendrik (gest. 1693); zilversmid, voorzanger:

Den Hoonig-raat der Psalm-Dichten. Gerardus Borstius, Amsterdam 1686

Lofdichten: Constanter; B. Bekker; J. Vollenhove; D. Schelte; K. Verlove

La Gruë, Jean & Philippe; vertalers:

Le Grand Dictionnaire, Francois-Flaman, de Jean Louis d'Arsy (...) Le tout revû (…) par Thomas la Gruë, Maistre és Arts & Docteur en Medecine à Amsterdam. Wed. van J.J. Schipper, 1682

--, Tweede editie met een nieuwe opdracht aan Witsen van J. la Gruë, Wolfgang, Amsterdam 1694

[cat.nr. 302, 4o; bis]

Halma, François (1653-1722); uitgever, schrijver:

François Desseine, Beschrijving van Oud en Nieuw Rome, verdeelt in drie Deelen [vert. uit het Frans] Fr. Halma, Amsterdam 1704

[wapen met 2 dames als schildhouders en burgemeestersattributen; cat.nr. 387, Fo: groot papier, 3 delen in 2 vergulde Franse banden]

N.B.: Opdracht dl.I, Oud Rome, aan Witsen; dl.II en III, Nieuw Rome, aan Koenraad Ruisch.

Hennin, Heinrich Christian von (1655-1703); medicus, oudheidkundige:

Jacobi Tollii, Epistolae Itinerariae: ex Auctoris Schedis Postimis Recensitae, Suppletae, Digestae; Annotationibus, Observationibus & Figurius adornatae, cura & studio Henr. Chr. Henninii. Fr. Halma, Amsterdam 1700

[wapen en lijfspreuk "Labor Omnia Vincit"; cat.nr. 182, 4o: Franse band]

Hoorn, Jan ten; uitgever:

G. Broekhuizen, De nieuwe bereisde Wereld, dl.I.Uit verscheidene Schrijvers en Taalen tesamen gebracht. Jan ten Hoorn, Amsterdam 1703

Imbrechts, Samuel (1634-1679); boekverkoper en papierhandelaar:

Jeurian Prins, Journael (...) van de reyse die gedaen is door ‘s Landts Vloot, onderden Manhaften Heer Admirael Michiel A. de Ruyter. Samuel Imbrechts, Amsterdam 1666

Keulen, Joh. van (1653/4-1715); uitgever, "boek- en zeekaartverkoper":

Claas Jansz. Vooght, De nieuwe groote lichtende Zeefakkel. 5 dln. Joh. van Keulen, Amsterdam 1682-1684; dl.III 1682, Verthoonende de zee-kusten van Granaden, Catalonien, Provence, Italien, Dalmatien, Grieken

[cat.nr. 438, F° : dl.IV (!)]

N.B. Opdrachten andere delen: C. Tromp; Coenr. van Beuningen, Jac. Boreel en Joh. Hudde

Marret, Paul (?1692-1726?]; uitgever:

Nouvelle Relation, contenant les Voyages de Thomas Gage dans la Nouvelle Espagne. 2 delen, Paul Marret, Amsterdam 1695

[cat.nr. 490, 8o: verguld kalf]

Matthaeus, Antonius (1635-1710); hoogleraar, jurist, antiquarius:

Andr. Alciatus, Epistolae, cum A. Matthaei notis. Leiden 1695

[cat.nr. 234, 8o; bis]

--, Veteris aevi analecta. 10 delen, Leiden 1698-1710

[plus 2 maal het 5e deel van 1704, waarin zich de opdracht bevindt, afzonderlijk; cat.nr. 231, 232, 8o; bis]

N.B.: Zie ook hierna bij opdrachten aan bestuursinstanties.

Meel, Johan Willem van; secretaris van deWest-Indische Compagnie:

Insignium virorum epistolae selectae(…) ex bibliotheca Jani Guilielmi Meelii J.C. Fr. Halma, Amsterdam 1701

[cat.nr. 274, 8o; bis]

Mortier, Pieter (1661-1711); uitgever:

Alle de werken van Flavius Josephus behelzende de twintig boeken der Joodsche Oudheden door W. Sewel. Pieter Mortier, Amsterdam 1704

[cat.nr. 318, Fo: groot papier; cat.nr. 319, Fo: Franse band]

Müller, Andreas (1630-1694); orientalist en bibliothecaris:

Imperii Sinensis Nomenclator Geographicus(…) cum praefatione de Re Geographica Sinensium deque Mappa Witseniana. Berlijn 1680

[cat.nr. 150, 4° ]

Mulock, G.:

Geestelijke, en Wereldlijke Meditatien over saaken onlangs voorgevallen, met overwegingen der fataliteyten, reflecterende op den Persoon van Sijn Konincklijke Hoogheyt den Heere Prince van Orange &c. Daniel van Gaasbeek, Leiden 1689

Neuye, Jan:

De gewrooke Lucretia, of Romen in Vrijheit. Ryxs-Treurspel (…). Getoont op d'Amsteldamse Schouburg. Johannes van den Bergh, Amsterdam 1669

[met het familiewapen "Durate"; cat.nr. 633, 4o]

Nieuhof, Hendrik; koopman en broer van Joan:

Joan Nieuhof, Gedenkwaerdige Zee en Lantreize door de voornaemste landschappen van West en Oostindien. Wed. van Jac. Meurs, Amsterdam 1681

[wapen met "Durate"; cat.nr. 413, Fo: groot papier, marokijnen band, 1682 [?] bis, Franse band]

N.B.: Dit boek is een postume uitgave van Joan Nieuhof verzorgd door zijn broer. Een eerder boek van Joan over China was in 1666 door de auteur opgedragen aan Witsens vader Kornelis en aan Hendrik Spiegel [wapens van Witsen en Spiegel op afz. blz.; cat.nr. 414, Fo].

Noodt, Gerard (1647-1725); hoogleraar, jurist:

De foenore et usuris libri tres. Leiden, 7 mei 1698

[cat.nr. 112, 4o: groot papier, Franse band; "ter"]

Pels, Adriaan: zie onder Willem Blaeu.

Régis, Petrus (1656-1726); medicus:

Marcellus Malpighius, Philosophi et medici Bononiensis e societate regia Londinensi opera posthuma. Georges Gallet, Amsterdam 1698/1700

[cat.nr. 274, 4o: Franse band]

Ribbius, Johannes; uitgever:

Frederick Leuthof, 't Groot Tooneel der hedendaeghsche Weereld; vertoonende de Keyserrijcken, Koninghrijcken, vrye Vorstendommen en vrye Staten, tot op't Jaer 1689. Nevens der Vorsten Genealogie [vertaling Simon de Vries] Johannes Ribbius, Utrecht 1689

[cat.nr. 534, 4o]

Smids, Ludovicus (1649-1720); medicus, oudheidkundige, letterkundige:

Poësye. Dirk Boeteman, Amsterdam 1694

[met portretbuste, wapen en lijfspreuk Witsen "Labor omnia vincit"; cat.nr. 714, 8o]

--, Pictura Loquens; sive heroicarum tabularum Hadriani Schoonebeeck Enaratio et Explicatio. Adr. Schoonebeeck, Amsterdam 1695

Lofdichten: Petrus Francius; Janus Broukhusius; Cornelus van Arckel

[zelfde prent met portretbuste, etc.; cat.nr. 715, 8o: Franse band]

Struys, Jan Jansz.; zeilmaker:

Drie aanmerkelijke en seer rampspoedige Reysen door Italien, Griekenlandt, Lijflandt, Moscovien, Tartarijen, Meden, Persien, Oost Indie, Japan, en verscheyden andere gewesten […]. Aangevangen Anno 1647 en voor de derde […] reys t'huys gekomen 1673. Jac. van Meurs en Joh. van Someren, Amsterdam 1676

[cat.nr. 554, 4o: groot papier, Franse band]

N.B.: Opdracht tevens aan Coenraed van Klenck. Tweede druk 1686 bij Jac. van der Deyster en Zander van de Jouwer.

Sweerts, Kornelis (1669-1742); uitgever, schrijver, musicus:

Tafereel der Deugden en Ondeugden. Willem Lamsvelt, Amsterdam 1703

Lofdichten: Kataryne Lescailje; J. Vollenhove; A. Moonen; Johannes Brandt; L. Rotgans; Abraham Alewyn

[cat.nr. 716, 8o]

N.B.: In 1704 droeg Sweerts aan Witsens neef Jonas II, "Geheimschrijver der Stad Amsteldam", zijn Leerzame Fabelen gedicht en verklaart door Kornelis Sweerts op, een uitgave van Johannes Strander te Amsterdam.

Verduin, Pieter Adriaensz (ca.1625-1700); meesterchirurgijn:

Dissertatio Epistolaris de Novâ Artuum decurtandorum Ratione ad Virum Amplissimum & Illustrissimum Nicolaum Witsen. Joannes Wolters, Amsterdam 1696

[cat.nr. 155, 8o]

--, [vert.] Nouvelle methode pour amputer les membres; presentée a Monseigneur Nicolas Witsen […] par Monsr. Pierre Adriaansz Verduin, maistre chirurgien juré à Amsterdam. Traduite en Francois par Joseph Vergniol, maistre chirurgien Francois refugié. Amsterdam, 1697

[cat.nr. 154, 8o]

Vleuten, Kornelis van:

De Koninglijke Harp-gezangen of Koning Davids 150 Psalmen, en de andere Lof-zangen. J. Smets en P. Dibbits, Amsterdam 1699

Zanten, Abraham, vader van Laurens:

Mr. Laurens van Zanten (gest. 1697), Treur-tooneel der doorluchtige Vrouwen. Jan ten Hoorn, Amsterdam 1699.

N.B.: Opgedragen aan echtgenote Catharina Hochepied.

DISSERTATIES:

(r) betekent: afgestudeerd in het recht; de verlatijnste namen zijn omgezet

in het Nederlands.

ALLEEN AAN WITSEN:

Baucham, Godard:

De pactis (r) Utrecht 18 maart 1695

Breyn, Joh. Ph. (1680-1764):

Dissertatio botanico-medica, De radice Gin-sem, seu Nisi, et Chrysanthemo bidente Zeylanico acmella dicto […], Leiden 26 juni 1700

Famars, Johannes Jacobus de (1653-1727):

De Contrahenda Emptione et Venditione (r) Utrecht 7 sept. 1691

Hochepied, Johannes Baptista (1669-1709):

De Exercitoria Actione (r) Leiden 19 feb. 1693

Ommeren, Lodewijk van:

De donationibus (r) Utrecht 30 okt. 1699

Lofdichters: P. de Wijs, J.J. Oymans, Chr. Bongaard en een anonimus

MET ANDEREN:

Alewyn, Abraham (1664 - Batavia 1721):

De Usuris (r) Leiden 26 feb. 1693

Opdr.: Nicolaes Witsen en Gerard Bors van Waveren

Bemden, Johannes [Joh. van den Bempden? 1661-1722]:

De Furtis (r) Leiden 14 juli 1684

Opdr.: Joh. van den Bemden ("Domino de la Tour"), Jacob de Wildt, Fred. Dikx, Nicolaes Witsen.

Borghorst, Bernard:

De Societate (r) Leiden 26 juni 1693

Opdr.: Cornelis Borghorst, Nicolaes Witsen, Pieter Blaeu

Bors van Waveren, Gerard (1664-1691):

De Legatis (r) Leiden 24 dec. 1686

Opdr.: Gerard Bors van Waveren, Nicolaes Witsen, Nic. Opmeer, Joh. Hudde

Cleyer, Johannes (1670-?; Batavia):

De statu et jure personarum (r) Utrecht 18 maart 1695

Opdr.: Andreas Cleyer, Nicolaes Witsen, Pieter Blaeu, Joris Munnick en Nic. Muys van Holy

Lat. lofdicht van Godard Baucham

Hees, Andries (1662-1720):

De Mandato (r) Leiden 1692

Opdr.: Thomas Hees, Gerard Bors van Waveren, Nicolaes Witsen, Gerard Noodt

Leeuw, Balthasar de (Utrecht):

Ad Legem Corneliam de Sicariis et Veneficiis (r) Leiden 4 juni 1692

Opdr.: Joh. Becker, Peter Hubert, Nicolaes Witsen

Waal Crommelin, Joh. de (Haarlem):

De rescissione Testamenti per Querelam (r) Leiden 18 juli 1695

Opdr.: Joh. Bekker, Daniel de Hossipe (Hochepied?), Peter Hubert, Nicolaes Witsen, Wilhem Fabricius

Witsen, Nicolaas II (1682-1746):

De Usufructu (r) Leiden 28 april 1702

Opdr.: Nicolaes Witsen en Joh. Hudde

Chronologisch: 1663 Dapper; 1665 Dapper; 1666 Imbrechts; 1669 Neuye; 1676 Struys; 1677 Dapper; 1679 Blaeu & Pels; 1680 Mueller; 1681 Nieuhoff; 1682 Lagrue (1694); 1684 Bemden*; 1686 Ghijsen; 1686 Bors van Waveren*; 1688 Dapper (2x); 1689 Ribbius; 1689 Mulock; 1691 Famars*; 1692 Van Hees*; 1692 De Leeuw*; 1693 Alewyn*; 1693 Hochepied*; 1693 Borghorst*; 1694 Smids; 1695 Baucham*; 1695 Cleyer*; 1695 De Waal Crommelin*; 1695 Marret; 1695 Smids; 1695 Croese (1696); 1696 Verduin; 1698 Noodt; 1698 Régis; 1699 Van Ommeren*; 1699 Van Vleuten; [Van Zanten]; 1700 Breyn*; 1700 Hennin; 1701 Van Meel; 1702 Witsen II*; 1703 Bosboom; 1703 Sweerts; 1703 Ten Hoorn; 1704 Halma; 1704 Mortier; 1705 Bosboom; 1715 Angelkot.

N.B.: namen met * betreffen dissertaties; tussen vierkante haken de opdracht aan echtgenote Catharina Hochepied.

 

OPDRACHTEN AAN BESTUURSINSTANTIES WAAR WITSEN

DEEL VAN UITMAAKTE

geslachtsnamen zijn vermeld volgens de in de dedicatie gehanteerde hiërarchie

Bekker, Balthasar (1634-1698), predikant:

Uitlegginge van den Propheet Daniel, Daniel vander Dalen, Amsterdam 1688

Aan burgemeesters Joh. Hudde, Korn. Geelvink, Nic. Witsen en Joan Appelman

[cat.nr. 379, 4o]

Chevalier, Nicolas (1661-1720), schrijver, verzamelaar, boekverkoper, drukker:

Journal d'Amsterdam. Nicolas Chevalier, Amsterdam 1700. Nrs. 1-4

Aan burgemeesters Joh. Hudde, Nic. Witsen, Corn. Valckenier en Dirk Bas

[cat.nr. 481, 8° ]

Commelin, Casparus (1668-1731), medicus, botanicus, uitgever:

Flora Malabarica, Fred. Haaringh, Leiden 1696

Aan burgemeesters & curatoren Joh. Hudde, Nic. Witsen, Corn. Valckenier, Theod. Bas; Fr. de Vroede en Joannes Huydekooper van Maarseveen

[cat.nr. 254, Fo: Franse vergulde band, en cat.nr. 164, 8o]

--, Praeludia Botanica ad Publicas Plantarum exoticarum demonstrationes, dicta in Horto Medico (1701/1702), Fred. Haringh, Leiden 1703

Aan burgemeesters Nic. Witsen, Joh. Hudde, Theod. Bas, Gerbr. Pancras; en curatoren: Fr. de Vroede en Joan Huydecooper

[ cat.nr. 264, 4o: Franse vergulde band]

--, Horti Medici Amstelaedamensis Plantae Rariores et Exoticae, Fred. Haringh, Leiden 1706

Aan burgemeesters Nic. Witsen, Jer. de Haaze de Georgio, Gerbr. Pancras, Joan Graafland; en schepenen

[cat.nr. 263, 4o: Franse vergulde band; "bis"]

Commelin, Johannes (1629-1692), raad en comm. Hortus Botanicus:

[Lat./Ned. titel] Beschryvinge en Curieuse Afbeeldingen van rare vreemde Oost- West- Indische en andere gewassen. Vertoont in den Amsterdamsche Kruyd-hof. P. en J. Blaeu, en Abraham van Someren, Amsterdam 1697 (In opdracht van Fr. de Vroede en Joan Huydecoper van Maarseveen, curatoren)

Aan burgemeesters (Deel I) Nic. Witsen, Joh. Hudde, Corn. Valckenier, Dirk Bas

[cat.nr. 253, Fo: Franse vergulde band]

Heide, Jan van der (1637-1712), uitvinder, schilder:

Beschryving der nieuwlijks uitgevonden en geoctrojeerde Slang- en Brand-spuiten, en haare wijze van brandblussen, tegenwoordig binnen Amsterdam in gebruik zijnde, Jan Rieuwertsz, Amsterdam 1690

Aan burgemeesters Joh. Hudde, Joan Huidecooper, Nic. Witsen, Joan de Vries

[cat.nr. 406/407, Fo]

Leti, Gregorio (1630-1701), "stadshistorieschrijver":

Theatro Gallico. 3 dln. Willem de Jonge, Amsterdam 1691

Aan burgemeesters (Deel I) "Giovanni de Vries, Giovanni Hudde, Giovanni Huydekooper, Nicolao de Vitzen"

--, Raguagli historici, e politici delle Virtù. D. Boeteman, Amsterdam 1698

Aan burgemeesters (Deel I) Joan Corver, Nic. Witsen, Ger. de Haze de Georgio, Dirck Munter. (Dl.II aan burgemeesters J. Huydekoper, J. Six, J. Jacobs Hinlopen en C. Valkenier)

[cat.nr. 473, 8o (1699), kalf, in 2 vol.]

--, [vert.] Kort begrip der heldendeugden. Engelbrecht Boucquet, 's-Gravenhage 1699

Aan burgemeesters (Deel I) Joan Corver, Nic. Witsen, Ger. De Haze de Georgio, Dirck Munter

[cat.nr. 678, 8o: alleen tweede deel]

Matthaeus, Antonius (1635-1710), hoogleraar, jurist, antiquarius:

Manuductio ad jus canonicum. Fred. Haaringh, Leiden 1696

Aan burgemeesters Corver, Nic. Witsen, Boreel en De Haze

[cat.nr. 233, 8o]

Ojers, Joannes, Coccejaans predikant:

De redenen van de opperste wijsheid verklaard in de eerste negen kapittelen van Salomons spreuken. Gerardus Borstius, Amsterdam 1698 ("Uitgegeven volgens Kerken-Orde")

Aan burgemeesters Nic. Witsen, Joan Corver, Jer. de Haze de Georgio, Dirk Munter

[cat.nr. 378, 4o: Franse band]

Ruysch, Fred. (1638-1731), medicus:

Observationum Anatomico-Chirurgicarum Centuria. Hendr. & de wed. van Theod. Boom, Amst. 1691

Aan burgemeesters J. Huydekooper, J. Hudde, Nic. Witsen en J. de Vries

[cat.nr. 272, 4o: Franse band]

Wetstein, H., uitgever:

Julii Pollucis Onomasticum Graece & Latine. Wetstein, Amst. 1706

Aan burgemeesters en schepenen - onder wie Nic. Witsen

[cat.nr. 283, Fo: vergulde Franse band, groot papier]

 

KAARTEN

Allard, Carel: kaart van Schotland, s.a.

De kaart is tezamen met de dedicatie overgenomen door I. Covens & C. Mortier. UBA. Lit.: Koeman p.37.

Reland, Adriaan (1677-1718): kaart van Perzië, s.a.

Lofdicht. Cartouche van Romeyn de Hooghe met wapen en borstbeeld. UBL. Lit.: Bodel Nijenhuis 1856, p.260. Niet in Koeman.

Valk, Gerard: kaart van Gascogne en Guyenne, s.a.

Cartouche van Romeyn de Hooghe. UBA. Lit.: Koeman III, p.137.

PRENTEN

Schenk, Petrus (1660-1713):

"Gezicht van het Stadthuis der Stadt Amsterdam". Groot folio, 51,7 x 61,0 cm. Na 1697.

Rijks Prenten Kabinet. Lit.: Bodel Nijenhuis 1856, p.270. Hollstein XXV, nr. 54.

-- Schepen voor rotsachtige kust. Groot folio.

Rijks Prenten Kabinet. Kopie naar Ludolf Backhuysen.

 

 

SUMMARY

NEPOTISM, PATRONAGE AND BOOKDEDICATINS IN RELATION TO
NICOLAES WITSEN (1641-1717), BURGOMASTER OF AMSTERDAM

pp.133-134

Previously to the French period Amsterdam was governed by four burgomasters. Each year three of them were elected by the ones retiring or stepping down, while one remained in office for reasons of continuity. Together they could dispose of 3200 jobs and offices. The distribution of these offices occured by rota, which implied that a burgomaster, for the three months that he was in the chair, had all the positions at his disposal which were vacant at that moment.

Between 1682 and 1706 Nicolaes Witsen was burgomaster of Amsterdam 13 times, a position which gave him considerable power and prestige. He was also an ardent lover of science. He published a map of Russia and wrote voluminous studies on shipbuilding and geography. Both qualities (burgomaster and scholar) were in his case indissolubly connected. By dealing out favours he was in a position to oblige a variety of people, who in turn helped him with his investigations. This system of patronage and the providing of services in return had also their effect on the Republic of Letters. Most clearly this can be seen in the tradition of bookdedications. Usually this dedication was addressed to the person to whom the writer felt an obligation and from whom he expected benefits. Written in the form of a letter, subject to rhetorical rules, the writer requested consent for the dedication and protection of the book.

At least 46 persons turned to Witsen for this purpose. The authors concerned were clients, graduate students, scholars and persons who for reasons of income were dependent on the booktrade, like publishers, writers, poets and translators. In alle cases they acknowledged their gratitude for services rendered. Unless in case of a business relation, the personal loyalty to the patron was unquestioned, though expressions of gratitude rendered to deceased members of the family and requests for additional favours may make one think otherwise. The writer of a dedication had to consider a number of factors before approaching a possible patron of the book: the interest shown in the subject, the position of the gentleman, as well as the generosity to be expected of his favours. The dimension of such a choice is apparent when one considers those who dealt out dedications regularly such as publishers and professional writers. Again and again one finds in their dedications the names of so-called friends of the leading faction. The dates of the dedications addresses to Witsen give additional confirmation of this. The first dedication known dates back to 1663, when Witsen was only a student without functions, but the son of a burgomaster and as such useful as mediator. On the other hand, after his last burgomastership Witsen hardly reappears in dedications. The reason must be sought in the changed political situation. His faction had to make way for the Corver brothers, and due to the death of his nephew, the burgomaster Joannes Hudde, Witsen had lost his influential support also. For his favourites it became clear that Witsen would not return to office and that they consequently could not count on his influence any more. The reaction of the authors was immediate: as a patron for their dedications Witsen was considered to be no longer of interest.






Terug naar homepage.